Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-06-06
ECLI:NL:GHAMS:2023:1521
Strafrecht
Hoger beroep
2,924 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002632-21
datum uitspraak: 6 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-146481-21 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1989,
adres: [adres01] .
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep onder 1 gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank zal vervangen door de navolgende overwegingen.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zijn dochter, [slachtoffer01] , heeft mishandeld. Daartoe heeft hij aangevoerd dat steunbewijs ontbreekt voor de verklaring van de aangeefster. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat – gelet op het relatief beperkte letsel van [slachtoffer01] – geen aanmerkelijke kans heeft bestaan dat zij zwaar lichamelijke letsel zou oplopen, zodat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer01] niet heeft mishandeld, hij geen verklaring heeft voor het bij haar geconstateerde letsel, er op 5 juni 2021 geen ruzie is geweest tussen hem en de aangeefster en het in de woning aangetroffen bloed is te verklaren door een spontane bloedneus van [slachtoffer01] . De bloedneus zou zijn ontstaan toen de verdachte met haar naar buiten liep. Hierna zou hij met zijn dochter zijn teruggekeerd naar de badkamer om haar neus schoon te maken.
Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van de aangeefster. Deze verklaring vindt immers steun in de verklaringen van de zus van aangeefster, de bovenbuurvrouw, de bevindingen van de ter plaatse gekomen politieambtenaren en de letselverklaring. Het hof acht de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd daarentegen niet geloofwaardig. In het bijzonder neemt het hof daarbij in aanmerking dat de verdachte geen redelijke verklaring heeft voor het bij zijn dochter aangetroffen letsel en het feit dat op veel plaatsen in de woning bloed lag en ook de kleding van de aangeefster onder het bloed zat, terwijl uit het dossier niet blijkt dat er bloed op de kleding van de verdachte zat. Verder hebben de verbalisanten gerelateerd dat toen zij ter plaatse kwamen de aangeefster op blote voeten op straat liep. Deze omstandigheden passen bij de verklaring van de aangeefster dat de verdachte op 5 juni 2021 haar in het wild aan het slaan was, terwijl zij haar tweejarige dochter in haar armen had en zijn dochter daarbij raakte en dat zij daarna met haar dochter naar buiten is gerend. De omstandigheden passen niet bij de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij op 5 juni 2021 rond 23.00 uur zijn tweejarige dochter spontaan kwam ophalen, dat daar toen geen ruzie over is ontstaan met de aangeefster en dat hij niemand heeft geslagen, maar dat zijn dochter spontaan een bloedneus kreeg toen hij met haar naar buiten liep en hij naar de badkamer is gegaan om haar neus schoon te maken.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling te komen, zoals onder 2 primair ten laste is gelegd. De verdachte wordt in zoverre vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. R. Kuiper en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. L. Muyselaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 juni 2023.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002632-21
datum uitspraak: 6 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-146481-21 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1989,
adres: [adres01] .
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep onder 1 gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank zal vervangen door de navolgende overwegingen.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zijn dochter, [slachtoffer01] , heeft mishandeld. Daartoe heeft hij aangevoerd dat steunbewijs ontbreekt voor de verklaring van de aangeefster. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat – gelet op het relatief beperkte letsel van [slachtoffer01] – geen aanmerkelijke kans heeft bestaan dat zij zwaar lichamelijke letsel zou oplopen, zodat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer01] niet heeft mishandeld, hij geen verklaring heeft voor het bij haar geconstateerde letsel, er op 5 juni 2021 geen ruzie is geweest tussen hem en de aangeefster en het in de woning aangetroffen bloed is te verklaren door een spontane bloedneus van [slachtoffer01] . De bloedneus zou zijn ontstaan toen de verdachte met haar naar buiten liep. Hierna zou hij met zijn dochter zijn teruggekeerd naar de badkamer om haar neus schoon te maken.
Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van de aangeefster. Deze verklaring vindt immers steun in de verklaringen van de zus van aangeefster, de bovenbuurvrouw, de bevindingen van de ter plaatse gekomen politieambtenaren en de letselverklaring. Het hof acht de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd daarentegen niet geloofwaardig. In het bijzonder neemt het hof daarbij in aanmerking dat de verdachte geen redelijke verklaring heeft voor het bij zijn dochter aangetroffen letsel en het feit dat op veel plaatsen in de woning bloed lag en ook de kleding van de aangeefster onder het bloed zat, terwijl uit het dossier niet blijkt dat er bloed op de kleding van de verdachte zat. Verder hebben de verbalisanten gerelateerd dat toen zij ter plaatse kwamen de aangeefster op blote voeten op straat liep. Deze omstandigheden passen bij de verklaring van de aangeefster dat de verdachte op 5 juni 2021 haar in het wild aan het slaan was, terwijl zij haar tweejarige dochter in haar armen had en zijn dochter daarbij raakte en dat zij daarna met haar dochter naar buiten is gerend. De omstandigheden passen niet bij de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij op 5 juni 2021 rond 23.00 uur zijn tweejarige dochter spontaan kwam ophalen, dat daar toen geen ruzie over is ontstaan met de aangeefster en dat hij niemand heeft geslagen, maar dat zijn dochter spontaan een bloedneus kreeg toen hij met haar naar buiten liep en hij naar de badkamer is gegaan om haar neus schoon te maken.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling te komen, zoals onder 2 primair ten laste is gelegd. De verdachte wordt in zoverre vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. R. Kuiper en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. L. Muyselaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 juni 2023.
=
===
[…]