Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-06-16
ECLI:NL:GHAMS:2023:1423
Strafrecht
Hoger beroep
6,034 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001245-21 (ontneming)
datum uitspraak: 16 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-871866-18 tegen de betrokkene
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,
adres: [adres],
thans gedetineerd in [detentieadres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 581.632,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2021 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2A van de Opiumwet, het medeplegen en plegen van gewoontewitwassen en deelneming (als leider) aan een criminele organisatie.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 29 april 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 564.362,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Bij arrest van 16 juni 2023 (parketnummer 23-001323-21) heeft het hof het vonnis van de rechtbank in de strafzaak bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de inbeslaggenomen goederen onder goednummers 1 tot en met 13, 16, 19 en 21 – in zoverre is het vonnis vernietigd – en met aanpassing van de bewijs- en strafmaatoverwegingen en de bewijsmiddelen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2022, 28 november 2022, 1 december 2022, 11 januari 2023 en 13 april 2023, en 2 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Grondslag van de vordering
De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. De betrokkene is bij eerder genoemd arrest van het hof van 16 juni 2023 in de strafzaak veroordeeld voor misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, waaronder medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Het hof acht voldoende aannemelijk dat deze misdrijven of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Uit het dossier volgt dat op bankrekeningen van de vennootschappen waaraan de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte] als bestuurder en/of aandeelhouder en/of feitelijk waren gelieerd, in de periode van 16 februari 2015 tot en met 4 februari 2019 in totaal een bedrag van € 1.390.825,00 in contanten is gestort. Ook zijn stortingen van contant geld gedaan op bankrekeningen van de medebetrokkene [medeverdachte] en diens partner. De herkomst van de contante stortingen kan niet worden vastgesteld, nu geen of ten ene male ontoereikende administratie voorhanden is waar deze uit kan worden afgeleid. De betrokkene en de medebetrokkene [medeverdachte] hebben verklaard dat de stortingen op de verschillende bankrekeningen en de overboekingen van de ene vennootschap naar de andere vennootschap puur willekeurig waren, zonder economische of zakelijke grondslag. In de strafzaak is geoordeeld – kort samengevat – dat de verklaringen van de betrokkene over de herkomst van de contante stortingen (gestelde legale activiteiten in en buiten de bedrijvengroep), naar welke verklaringen de betrokkene verwijst, onvoldoende concreet, onvoldoende verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, zodat het niet anders kan zijn dan dat de bedragen van misdrijf afkomstig zijn. De betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte] konden vanuit hun positie vrijelijk beschikken over de rekeningen van de vennootschappen en gesteld noch gebleken is dat derden daartoe bevoegd waren en/of daaruit voordeel hebben genoten. Gelet hierop gaat het hof er van uit dat deze van misdrijf afkomstige stortingen, die deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de aan betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte] gelieerde bedrijvengroep, op de hierna te melden wijze aan hen ten goede zijn gekomen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 747.138,00, minus de door haar in de strafzaak gevorderde verbeurdverklaring van gelden en vorderingen, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft verzocht de privé uitgaven te matigen, nu niet ten aanzien van elk daaronder vallend geldbedrag kan worden vastgesteld dat het van misdrijf afkomstig is.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof mede gebaseerd op het “Rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 19 mei 2020, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (hierna: de ontnemingsrapportage) en de daarin vermelde onderliggende stukken en bijlagen. Daarnaast heeft het hof die schatting gebaseerd op het arrest in de strafzaak en op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
In de ontnemingsrapportage is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de onderzoeksperiode december 2014 tot en met 9 maart 2020. Het hof constateert dat de onderzoeksperiode een langere periode omvat dan de bewezenverklaarde periode(s) in de strafzaak. Bij de schatting van het voordeel zal het hof uitgaan van de bewezenverklaarde periode(s), dat wil zeggen dat 24 juli 2019 als einddatum wordt aangehouden.
Inbeslaggenomen saldi op zakelijke bankrekeningen
Uit de ontnemingsrapportage volgt dat op de bankrekeningen van de vennootschappen een bedrag van € 1.390.825,00 is gestort. De herkomst van de contante stortingen kan niet worden vastgesteld, nu daarvan geen administratie voorhanden is. De beschrijvingen bij de overboekingen tussen de zakelijke bankrekeningen vermelden onduidelijke termen of ontbreken in het geheel. Bovendien hebben de betrokkene en de medebetrokkene [medeverdachte] verklaard dat de stortingen en overboekingen puur willekeurig waren, zonder economische of zakelijke grondslag.
Het hof neemt de inbeslaggenomen saldi op de zakelijke bankrekeningen van de vennootschappen als uitgangspunt, nu dat het totaalbedrag vormt van de contante stortingen minus de uitgaven die door de vennootschappen zijn gedaan. Het hof rekent de saldi op de zakelijke bankrekeningen volledig toe aan de betrokkene, nu hijzelf en de medebetrokkene [medeverdachte] hebben verklaard dat deze gelden enkel aan de betrokkene toebehoren.
Privé uitgaven via zakelijke bankrekeningen
Het bovenstaande betekent dat de privé uitgaven die door de betrokkene vanaf de zakelijke bankrekeningen zijn gedaan, ook alleen aan hem worden toegerekend (€ 183.361,00 plus € 51.074,00 maakt € 234.435,00).
Conclusie
Alle inkomsten, uitgaven en contant aangetroffen gelden tezamen vormen de volgende rekensom:
Inbeslaggenomen saldi op zakelijke bankrekeningen € 365.552,00
Privé uitgaven via zakelijke bankrekeningen -/- autokosten € 193.643,68
Contante opnames minus contante betalingen € 129.688,00
Schip ‘[schip]’ € 10.000,00
Contant aangetroffen geld € 33.000,00
Totaal € 731.883,68
Uit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene moet worden geschat op € 731.883,68.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De raadsman heeft verzocht de betalingsverplichting vast te stellen op nihil, althans aanzienlijk te matigen, gelet op de (ook toekomstige) draagkracht van de betrokkene, en geen gijzeling op te leggen.
De draagkracht van de betrokkene dient in beginsel in de executiefase aan de orde te worden gesteld. In de ontnemingsprocedure kan alleen dan met vrucht een beroep op ontbrekende dan wel verminderde draagkracht worden gedaan indien aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen dan wel verminderde draagkracht heeft of zal hebben. Dat is thans niet aan de orde. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een betalingsverplichting te voldoen. Het hof weegt daarin mee dat de betrokkene, terwijl de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep was aangevangen, opnieuw druggerelateerde feiten heeft gepleegd en kennelijk in staat is om te werken.
Ook in het licht van de in de strafzaak tegen de betrokkene genomen beslissingen, in het bijzonder het afzien van verbeurdverklaringen van inbeslaggenomen voorwerpen en vorderingen, en van de compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, bestaat geen aanleiding de betalingsverplichting te verminderen.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 731.883,68. Het hof zal de gijzeling op de volgens de wet voorgeschreven wijze opleggen, nu geen reden bestaat daarvan af te zien.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 731.883,68 (zevenhonderdeenendertigduizend achthonderddrieëntachtig euro en achtenzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 731.883,68 (zevenhonderdeenendertigduizend achthonderddrieëntachtig euro en achtenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Senden,
in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juni 2023.
Rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], werkzaam bij de FIOD, van 19 mei 2020 (hierna: de ontnemingsrapportage) p. 6 en AMB-033, p. 2.
V-001-02, p. 3, V-001-01, p. 16, V-002-01, p. 16 en SFO-WB-AMB-011.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001245-21 (ontneming)
datum uitspraak: 16 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-871866-18 tegen de betrokkene
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,
adres: [adres],
thans gedetineerd in [detentieadres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 581.632,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2021 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2A van de Opiumwet, het medeplegen en plegen van gewoontewitwassen en deelneming (als leider) aan een criminele organisatie.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 29 april 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 564.362,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Bij arrest van 16 juni 2023 (parketnummer 23-001323-21) heeft het hof het vonnis van de rechtbank in de strafzaak bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de inbeslaggenomen goederen onder goednummers 1 tot en met 13, 16, 19 en 21 – in zoverre is het vonnis vernietigd – en met aanpassing van de bewijs- en strafmaatoverwegingen en de bewijsmiddelen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2022, 28 november 2022, 1 december 2022, 11 januari 2023 en 13 april 2023, en 2 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Grondslag van de vordering
De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. De betrokkene is bij eerder genoemd arrest van het hof van 16 juni 2023 in de strafzaak veroordeeld voor misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, waaronder medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Het hof acht voldoende aannemelijk dat deze misdrijven of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Uit het dossier volgt dat op bankrekeningen van de vennootschappen waaraan de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte] als bestuurder en/of aandeelhouder en/of feitelijk waren gelieerd, in de periode van 16 februari 2015 tot en met 4 februari 2019 in totaal een bedrag van € 1.390.825,00 in contanten is gestort. Ook zijn stortingen van contant geld gedaan op bankrekeningen van de medebetrokkene [medeverdachte] en diens partner. De herkomst van de contante stortingen kan niet worden vastgesteld, nu geen of ten ene male ontoereikende administratie voorhanden is waar deze uit kan worden afgeleid. De betrokkene en de medebetrokkene [medeverdachte] hebben verklaard dat de stortingen op de verschillende bankrekeningen en de overboekingen van de ene vennootschap naar de andere vennootschap puur willekeurig waren, zonder economische of zakelijke grondslag. In de strafzaak is geoordeeld – kort samengevat – dat de verklaringen van de betrokkene over de herkomst van de contante stortingen (gestelde legale activiteiten in en buiten de bedrijvengroep), naar welke verklaringen de betrokkene verwijst, onvoldoende concreet, onvoldoende verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, zodat het niet anders kan zijn dan dat de bedragen van misdrijf afkomstig zijn. De betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte] konden vanuit hun positie vrijelijk beschikken over de rekeningen van de vennootschappen en gesteld noch gebleken is dat derden daartoe bevoegd waren en/of daaruit voordeel hebben genoten. Gelet hierop gaat het hof er van uit dat deze van misdrijf afkomstige stortingen, die deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de aan betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte] gelieerde bedrijvengroep, op de hierna te melden wijze aan hen ten goede zijn gekomen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 747.138,00, minus de door haar in de strafzaak gevorderde verbeurdverklaring van gelden en vorderingen, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft verzocht de privé uitgaven te matigen, nu niet ten aanzien van elk daaronder vallend geldbedrag kan worden vastgesteld dat het van misdrijf afkomstig is.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof mede gebaseerd op het “Rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 19 mei 2020, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (hierna: de ontnemingsrapportage) en de daarin vermelde onderliggende stukken en bijlagen. Daarnaast heeft het hof die schatting gebaseerd op het arrest in de strafzaak en op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
In de ontnemingsrapportage is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de onderzoeksperiode december 2014 tot en met 9 maart 2020. Het hof constateert dat de onderzoeksperiode een langere periode omvat dan de bewezenverklaarde periode(s) in de strafzaak. Bij de schatting van het voordeel zal het hof uitgaan van de bewezenverklaarde periode(s), dat wil zeggen dat 24 juli 2019 als einddatum wordt aangehouden.
Inbeslaggenomen saldi op zakelijke bankrekeningen
Uit de ontnemingsrapportage volgt dat op de bankrekeningen van de vennootschappen een bedrag van € 1.390.825,00 is gestort. De herkomst van de contante stortingen kan niet worden vastgesteld, nu daarvan geen administratie voorhanden is. De beschrijvingen bij de overboekingen tussen de zakelijke bankrekeningen vermelden onduidelijke termen of ontbreken in het geheel. Bovendien hebben de betrokkene en de medebetrokkene [medeverdachte] verklaard dat de stortingen en overboekingen puur willekeurig waren, zonder economische of zakelijke grondslag.
Het hof neemt de inbeslaggenomen saldi op de zakelijke bankrekeningen van de vennootschappen als uitgangspunt, nu dat het totaalbedrag vormt van de contante stortingen minus de uitgaven die door de vennootschappen zijn gedaan. Het hof rekent de saldi op de zakelijke bankrekeningen volledig toe aan de betrokkene, nu hijzelf en de medebetrokkene [medeverdachte] hebben verklaard dat deze gelden enkel aan de betrokkene toebehoren.
Privé uitgaven via zakelijke bankrekeningen
Het bovenstaande betekent dat de privé uitgaven die door de betrokkene vanaf de zakelijke bankrekeningen zijn gedaan, ook alleen aan hem worden toegerekend (€ 183.361,00 plus € 51.074,00 maakt € 234.435,00).
Conclusie
Alle inkomsten, uitgaven en contant aangetroffen gelden tezamen vormen de volgende rekensom:
Inbeslaggenomen saldi op zakelijke bankrekeningen € 365.552,00
Privé uitgaven via zakelijke bankrekeningen -/- autokosten € 193.643,68
Contante opnames minus contante betalingen € 129.688,00
Schip ‘[schip]’ € 10.000,00
Contant aangetroffen geld € 33.000,00
Totaal € 731.883,68
Uit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene moet worden geschat op € 731.883,68.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De raadsman heeft verzocht de betalingsverplichting vast te stellen op nihil, althans aanzienlijk te matigen, gelet op de (ook toekomstige) draagkracht van de betrokkene, en geen gijzeling op te leggen.
De draagkracht van de betrokkene dient in beginsel in de executiefase aan de orde te worden gesteld. In de ontnemingsprocedure kan alleen dan met vrucht een beroep op ontbrekende dan wel verminderde draagkracht worden gedaan indien aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen dan wel verminderde draagkracht heeft of zal hebben. Dat is thans niet aan de orde. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een betalingsverplichting te voldoen. Het hof weegt daarin mee dat de betrokkene, terwijl de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep was aangevangen, opnieuw druggerelateerde feiten heeft gepleegd en kennelijk in staat is om te werken.
Ook in het licht van de in de strafzaak tegen de betrokkene genomen beslissingen, in het bijzonder het afzien van verbeurdverklaringen van inbeslaggenomen voorwerpen en vorderingen, en van de compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, bestaat geen aanleiding de betalingsverplichting te verminderen.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 731.883,68. Het hof zal de gijzeling op de volgens de wet voorgeschreven wijze opleggen, nu geen reden bestaat daarvan af te zien.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 731.883,68 (zevenhonderdeenendertigduizend achthonderddrieëntachtig euro en achtenzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 731.883,68 (zevenhonderdeenendertigduizend achthonderddrieëntachtig euro en achtenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Senden,
in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juni 2023.
Rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], werkzaam bij de FIOD, van 19 mei 2020 (hierna: de ontnemingsrapportage) p. 6 en AMB-033, p. 2.
V-001-02, p. 3, V-001-01, p. 16, V-002-01, p. 16 en SFO-WB-AMB-011.