Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-06-20
ECLI:NL:GHAMS:2023:1417
Strafrecht
Hoger beroep
4,796 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004133-17
datum uitspraak: 20 juni 2023
TEGENSPRAAK (artikel 279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702267-16 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1982,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 08 juli 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer01] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer01] :
- ( met kracht) met zijn vuisten en/of zijn riem (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of
- ( terwijl voornoemde [slachtoffer01] op de grond lag) (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt;
subsidiair
hij op of omstreeks 08 juli 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer01] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer01] :
- (met kracht) met zijn vuisten en/of zijn riem (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- (terwijl voornoemde [slachtoffer01] op de grond lag) (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 juli 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer01] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer01] :
- met zijn riem meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en
- terwijl voornoemde [slachtoffer01] op de grond lag die [slachtoffer01] meermalen in het gezicht heeft geschopt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, heeft het hof deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een noodweersituatie, omdat de verdachte rustig zijn riem uit zijn broek haalt, om zijn vuist windt en daarna de aanval kiest. Er is dan ook geen sprake van noodweer(exces).
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het slaan/stompen een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd geconfronteerd met een wederrechtelijke ogenblikkelijke aanranding doordat [slachtoffer01] (hierna: [slachtoffer01] ) hem aanviel. Hij kon zich hier niet aan onttrekken en was aldus genoodzaakt zich te verdedigen. Het slaan van [slachtoffer01] was proportioneel. Ten aanzien van het schoppen komt de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toe. Er was sprake van een noodweersituatie. De verdachte is te ver door gegaan in zijn verdediging als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, namelijk angst en paniek.
Oordeel van het hof
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast op grond van het procesdossier en de waarnemingen van het hof van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep.
Op 8 juli 2016 loopt de verdachte vanuit een steeg de [adres02] te Amsterdam in. [slachtoffer01] loopt achter hem. De verdachte kijkt achterom en heeft een jas in zijn rechterhand. [slachtoffer01] slaat met zijn vuist in de richting of tegen het hoofd van de verdachte. De verdachte gooit zijn jas weg, haalt rustig zijn riem uit zijn broek en wikkelt een gedeelte van de riem om zijn rechterhand. Vervolgens slaat de verdachte [slachtoffer01] tweemaal met de riem. [slachtoffer01] probeert de verdachte met zijn vuist terug te slaan en valt daardoor op de grond. De verdachte geeft [slachtoffer01] vervolgens met kracht twee schoppen in het gezicht, waarbij het hoofd van [slachtoffer01] als gevolg van de schoppen naar achteren gaat. [slachtoffer01] blijft op de grond liggen en krijgt een hartmassage van een van de omstanders.
Noodweer
[slachtoffer01] is achter de verdachte aan gelopen en heeft hem een klap gegeven. Op dat moment was er een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen lijf en was er sprake van een noodweersituatie. Deze noodweersituatie is echter geëindigd toen de verdachte zijn jas op de grond gooide, rustig zijn riem uit zijn broek begon te halen en om zijn hand wikkelde. Deze voorbereidingen van de verdachte nemen enige tijd in beslag terwijl de verdachte en [slachtoffer01] op afstand van elkaar staan. De verdachte had op dit moment ruimschoots de gelegenheid om weg te lopen. De verdachte heeft vervolgens zelf de confrontatie met [slachtoffer01] opgezocht en voor de aanval gekozen door [slachtoffer01] te slaan met de om zijn hand gewikkelde riem. Deze handelingen van de verdachte waren niet geboden ter verdediging, maar moeten als aanvallend worden aangemerkt.
Het hof verwerpt het beroep op noodweer.
Noodweerexces
Het hof is van oordeel dat, zoals onder het kopje ‘noodweer’ is uiteengezet, sprake is geweest van een noodweersituatie op het moment dat de verdachte werd geslagen. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan ook sprake zijn als – zoals in het onderhavige geval – op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedragingen de noodweersituatie is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat zijn gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Niet is aannemelijk geworden dat de gedragingen van de verdachte het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij doodsbang was en vreesde voor zijn leven. Het hof heeft op de camerabeelden echter waargenomen dat de verdachte zijn tijd neemt om de riem uit zijn broek te halen en om zijn hand te wikkelen om zo de tegenaanval te kiezen en dat hij daarna [slachtoffer01] twee keer hard in het gezicht schopt op het moment dat deze ten val komt en op de grond ligt. Angst of paniek is op deze beelden niet te zien. De verklaring van de verdachte dat hij heeft gehandeld uit hevige angst wordt ook niet ondersteund door andere dossierstukken. Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
8 (acht) weken
.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2023.
mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004133-17
datum uitspraak: 20 juni 2023
TEGENSPRAAK (artikel 279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702267-16 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1982,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 08 juli 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer01] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer01] :
- ( met kracht) met zijn vuisten en/of zijn riem (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of
- ( terwijl voornoemde [slachtoffer01] op de grond lag) (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt;
subsidiair
hij op of omstreeks 08 juli 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer01] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer01] :
- (met kracht) met zijn vuisten en/of zijn riem (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- (terwijl voornoemde [slachtoffer01] op de grond lag) (meermalen) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 juli 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer01] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer01] :
- met zijn riem meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en
- terwijl voornoemde [slachtoffer01] op de grond lag die [slachtoffer01] meermalen in het gezicht heeft geschopt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, heeft het hof deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een noodweersituatie, omdat de verdachte rustig zijn riem uit zijn broek haalt, om zijn vuist windt en daarna de aanval kiest. Er is dan ook geen sprake van noodweer(exces).
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het slaan/stompen een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd geconfronteerd met een wederrechtelijke ogenblikkelijke aanranding doordat [slachtoffer01] (hierna: [slachtoffer01] ) hem aanviel. Hij kon zich hier niet aan onttrekken en was aldus genoodzaakt zich te verdedigen. Het slaan van [slachtoffer01] was proportioneel. Ten aanzien van het schoppen komt de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toe. Er was sprake van een noodweersituatie. De verdachte is te ver door gegaan in zijn verdediging als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, namelijk angst en paniek.
Oordeel van het hof
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast op grond van het procesdossier en de waarnemingen van het hof van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep.
Op 8 juli 2016 loopt de verdachte vanuit een steeg de [adres02] te Amsterdam in. [slachtoffer01] loopt achter hem. De verdachte kijkt achterom en heeft een jas in zijn rechterhand. [slachtoffer01] slaat met zijn vuist in de richting of tegen het hoofd van de verdachte. De verdachte gooit zijn jas weg, haalt rustig zijn riem uit zijn broek en wikkelt een gedeelte van de riem om zijn rechterhand. Vervolgens slaat de verdachte [slachtoffer01] tweemaal met de riem. [slachtoffer01] probeert de verdachte met zijn vuist terug te slaan en valt daardoor op de grond. De verdachte geeft [slachtoffer01] vervolgens met kracht twee schoppen in het gezicht, waarbij het hoofd van [slachtoffer01] als gevolg van de schoppen naar achteren gaat. [slachtoffer01] blijft op de grond liggen en krijgt een hartmassage van een van de omstanders.
Noodweer
[slachtoffer01] is achter de verdachte aan gelopen en heeft hem een klap gegeven. Op dat moment was er een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen lijf en was er sprake van een noodweersituatie. Deze noodweersituatie is echter geëindigd toen de verdachte zijn jas op de grond gooide, rustig zijn riem uit zijn broek begon te halen en om zijn hand wikkelde. Deze voorbereidingen van de verdachte nemen enige tijd in beslag terwijl de verdachte en [slachtoffer01] op afstand van elkaar staan. De verdachte had op dit moment ruimschoots de gelegenheid om weg te lopen. De verdachte heeft vervolgens zelf de confrontatie met [slachtoffer01] opgezocht en voor de aanval gekozen door [slachtoffer01] te slaan met de om zijn hand gewikkelde riem. Deze handelingen van de verdachte waren niet geboden ter verdediging, maar moeten als aanvallend worden aangemerkt.
Het hof verwerpt het beroep op noodweer.
Noodweerexces
Het hof is van oordeel dat, zoals onder het kopje ‘noodweer’ is uiteengezet, sprake is geweest van een noodweersituatie op het moment dat de verdachte werd geslagen. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan ook sprake zijn als – zoals in het onderhavige geval – op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedragingen de noodweersituatie is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat zijn gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Niet is aannemelijk geworden dat de gedragingen van de verdachte het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij doodsbang was en vreesde voor zijn leven. Het hof heeft op de camerabeelden echter waargenomen dat de verdachte zijn tijd neemt om de riem uit zijn broek te halen en om zijn hand te wikkelen om zo de tegenaanval te kiezen en dat hij daarna [slachtoffer01] twee keer hard in het gezicht schopt op het moment dat deze ten val komt en op de grond ligt. Angst of paniek is op deze beelden niet te zien. De verklaring van de verdachte dat hij heeft gehandeld uit hevige angst wordt ook niet ondersteund door andere dossierstukken. Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
8 (acht) weken
.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2023.
mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]