Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-06-19
ECLI:NL:GHAMS:2023:1400
Strafrecht
Hoger beroep
3,024 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002145-19
datum uitspraak: 19 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-845143-18 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1944,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 en 5 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Daarbij is ook aangevoerd dat het gaat om oude feiten en dat er geen nieuwe (soortgelijke) feiten door de verdachte zijn begaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich als bestuurder schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, doordat hij zich niet heeft gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en over te leggen aan de curator. Door het handelen van de verdachte kunnen schuldeisers zijn benadeeld. De verdachte heeft – zoals hij zelf heeft verklaard – zich als katvanger laten inschrijven als bestuurder van de vennootschap [bedrijf01] B.V. en de aandelen van die vennootschap voor € 1,00 overgenomen, terwijl hij wist dat deze schulden had en dat hij geen activiteiten met deze vennootschap zou gaan verrichten. Daarnaast heeft de verdachte niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht jegens de curator. Doordat de vennootschap voor de aandelenoverdracht al te kampen had met schulden en door het ontbreken van administratie, is niet vast te stellen hoe hoog het benadelingsbedrag door het handelen van de verdachte exact is geweest. Wat wel vaststaat is dat door het ontbreken van een volledige administratie de curator de rechten en plichten van de vennootschap niet heeft kunnen vaststellen en geen deugdelijk onderzoek heeft kunnen doen naar de oorzaak van het faillissement. Schuldeisers zijn hierdoor in een ongunstigere positie gekomen en de curator kon het faillissement niet op een voortvarende wijze afwikkelen. De verdachte heeft bovendien mogelijk gemaakt dat anderen, die verantwoordelijke gehouden konden worden voor het ontstaan van schulden, buiten beeld bleven.
Uit het strafblad van de verdachte van 10 mei 2023 blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu de verdachte na het plegen van het onderhavige feit is veroordeeld voor onder meer het overtreden van de Opiumwet en het plegen van faillissementsfraude en daarbij een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. Verder blijkt uit het strafblad dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Op grond van het voorgaande acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name zijn fysieke gesteldheid, ziet het hof echter aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof constateert dat het hoger beroep is ingesteld op 5 juni 2019 en dat in de onderhavige zaak uitspraak wordt gedaan op 19 juni 2023, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim een jaar is overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding de in beginsel passend geachte voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden te verminderen met één maand.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 194 (oud) en 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
3 (drie) maanden
.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg,
in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2023.
mr. Van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002145-19
datum uitspraak: 19 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-845143-18 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1944,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 en 5 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Daarbij is ook aangevoerd dat het gaat om oude feiten en dat er geen nieuwe (soortgelijke) feiten door de verdachte zijn begaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich als bestuurder schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, doordat hij zich niet heeft gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en over te leggen aan de curator. Door het handelen van de verdachte kunnen schuldeisers zijn benadeeld. De verdachte heeft – zoals hij zelf heeft verklaard – zich als katvanger laten inschrijven als bestuurder van de vennootschap [bedrijf01] B.V. en de aandelen van die vennootschap voor € 1,00 overgenomen, terwijl hij wist dat deze schulden had en dat hij geen activiteiten met deze vennootschap zou gaan verrichten. Daarnaast heeft de verdachte niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht jegens de curator. Doordat de vennootschap voor de aandelenoverdracht al te kampen had met schulden en door het ontbreken van administratie, is niet vast te stellen hoe hoog het benadelingsbedrag door het handelen van de verdachte exact is geweest. Wat wel vaststaat is dat door het ontbreken van een volledige administratie de curator de rechten en plichten van de vennootschap niet heeft kunnen vaststellen en geen deugdelijk onderzoek heeft kunnen doen naar de oorzaak van het faillissement. Schuldeisers zijn hierdoor in een ongunstigere positie gekomen en de curator kon het faillissement niet op een voortvarende wijze afwikkelen. De verdachte heeft bovendien mogelijk gemaakt dat anderen, die verantwoordelijke gehouden konden worden voor het ontstaan van schulden, buiten beeld bleven.
Uit het strafblad van de verdachte van 10 mei 2023 blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu de verdachte na het plegen van het onderhavige feit is veroordeeld voor onder meer het overtreden van de Opiumwet en het plegen van faillissementsfraude en daarbij een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. Verder blijkt uit het strafblad dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Op grond van het voorgaande acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name zijn fysieke gesteldheid, ziet het hof echter aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof constateert dat het hoger beroep is ingesteld op 5 juni 2019 en dat in de onderhavige zaak uitspraak wordt gedaan op 19 juni 2023, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim een jaar is overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding de in beginsel passend geachte voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden te verminderen met één maand.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 194 (oud) en 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
3 (drie) maanden
.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg,
in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2023.
mr. Van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]