Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-05-31
ECLI:NL:GHAMS:2023:1351
Strafrecht
Hoger beroep
2,302 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002736-21
datum uitspraak: 31 mei 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-846009-18 tegen de betrokkene
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1941,
adres: [adres01] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 343.115,-.
De betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2020 veroordeeld ter zake van verschillende overtredingen van voorschriften gesteld bij en krachtens de Wet dieren.
Voorts heeft de economische kamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 september 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 63.301,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (hoofdelijk).
Het openbaar ministerie en de betrokkene hebben hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene en de officier van justitie zijn bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard in het door hen in de strafzaak ingestelde hoger beroep.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw namens de betrokkene naar voren heeft gebracht.
Op 16 mei 2023 heeft het hof een e-mailbericht ontvangen van het openbaar ministerie (hierna: OM) waarin wordt aangegeven dat het OM met de verdediging in de onderhavige zaak overeenstemming heeft bereikt over de afdoening ervan. De gemaakte procesafspraken houden in dat het OM en de verdediging in de strafzaak de eerder naar voren gebrachte grieven niet handhaven, en dat in de van de strafzaak afgeleide ontnemingszaak de betrokkene akkoord gaat met de oplegging van een betalingsverplichting van € 100.000,-. Deze afspraken zijn ter terechtzitting door de raadsvrouw en de advocaat-generaal bevestigd.
Gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen de verdediging en het OM aan de gemaakte procesafspraken ten grondslag hebben gelegd, komen de afspraken het hof niet onredelijk voor. Het hof komt tot de volgende beslissingen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 100.000,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de tussen het OM en de verdediging gemaakte procesafspraken en de beoordeling daarvan door het hof, wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 100.000,-.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100.000,-.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
100.000,00 (honderdduizend euro)
.
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staat
ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 100.000,00 (honderdduizend euro)
.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M. Lolkema en mr. N.E. Kwak,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2023.
Mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002736-21
datum uitspraak: 31 mei 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-846009-18 tegen de betrokkene
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1941,
adres: [adres01] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 343.115,-.
De betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2020 veroordeeld ter zake van verschillende overtredingen van voorschriften gesteld bij en krachtens de Wet dieren.
Voorts heeft de economische kamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 september 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 63.301,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (hoofdelijk).
Het openbaar ministerie en de betrokkene hebben hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene en de officier van justitie zijn bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard in het door hen in de strafzaak ingestelde hoger beroep.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw namens de betrokkene naar voren heeft gebracht.
Op 16 mei 2023 heeft het hof een e-mailbericht ontvangen van het openbaar ministerie (hierna: OM) waarin wordt aangegeven dat het OM met de verdediging in de onderhavige zaak overeenstemming heeft bereikt over de afdoening ervan. De gemaakte procesafspraken houden in dat het OM en de verdediging in de strafzaak de eerder naar voren gebrachte grieven niet handhaven, en dat in de van de strafzaak afgeleide ontnemingszaak de betrokkene akkoord gaat met de oplegging van een betalingsverplichting van € 100.000,-. Deze afspraken zijn ter terechtzitting door de raadsvrouw en de advocaat-generaal bevestigd.
Gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen de verdediging en het OM aan de gemaakte procesafspraken ten grondslag hebben gelegd, komen de afspraken het hof niet onredelijk voor. Het hof komt tot de volgende beslissingen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 100.000,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de tussen het OM en de verdediging gemaakte procesafspraken en de beoordeling daarvan door het hof, wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 100.000,-.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100.000,-.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
100.000,00 (honderdduizend euro)
.
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staat
ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 100.000,00 (honderdduizend euro)
.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M. Lolkema en mr. N.E. Kwak,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2023.
Mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]