Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-05-24
ECLI:NL:GHAMS:2023:1191
Civiel recht
Wraking
2,942 tokens
Dictum
inzake het op 24 mei 2023 gedane verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te Veghel,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1
Tijdens de openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam inzake de procedure van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [verzoeker] en de Centrale Ondernemingsraad van [bedrijf 2] , geregistreerd onder voormeld zaaknummer hoofdzaak, heeft verzoeker een verzoek tot wraking gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de vijf leden van de Ondernemingskamer: mr. A.H.W. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer, mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. M.A. Scheltema en drs. V.G. Moolenaar, raden (hierna: de leden van de Ondernemingskamer).
Van de zitting in de hoofdzaak is proces-verbaal opgemaakt.
1.2
De leden van de Ondernemingskamer hebben laten weten niet te berusten in het
wrakingsverzoek.
1.3
Op 24 mei 2023 is het wrakingsverzoek tijdens een openbare terechtzitting behandeld, nadat een verzoek tot behandeling met gesloten deuren is afgewezen. Verschenen zijn verzoeker en de leden van de Ondernemingskamer. Tevens waren aanwezig de overige partijen in de hoofdzaak.
2Ontvankelijkheid
Procesverloop
De wrakingskamer heeft ter zitting beslist dat, gelet op de door verzoeker geschetste bijzondere omstandigheden en rekening houdend met het gestelde spoedeisend belang in de hoofdzaak, verzoeker niettemin zal worden ontvangen in zijn wrakingsverzoek. Hij is in de gelegenheid gesteld zijn verzoek ter zitting nader toe te lichten.
3Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Ondernemingskamer, aan de griffier van de Ondernemingskamer de volgende gronden voor het wrakingsverzoek opgegeven:
Zed+ en in de zaak Centric zijn hartstikke onjuist en fout. In de zaak Zed+ had de Ondernemingskamer kunnen weten dat de uitspraak onjuist is. Mevrouw Scheltema is bij die uitspraak betrokken geweest. In de Centric-zaak had de Ondernemingskamer kunnen weten dat ik niets heb misdaan. Dat blijkt ook uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie. Er waren geen tegenstrijdige belangen. De Centric uitspraak is onjuist Het in beheer geven van mijn aandelen is in strijd met het recht op eigendom zoals gegarandeerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en alle andere grondrechten. De Ondernemingskamer heeft de [X ] en [Y] benoemd, die beiden ook betrokken zijn bij de zaak Zed+. Dat kan niet waar zijn. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar de [X ] .
Hij heeft deze gronden ter zitting nader toegelicht.
De leden van de Ondernemingskamer hebben – kort samengevat - bepleit dat het aangevoerde niet tot wraking kan leiden.
Beoordeling
4.1
Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek
van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Als uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter, waaronder begrepen een lid van de Ondernemingskamer, uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
4.3
Al hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd, raakt niet de onpartijdigheid van de leden van de Ondernemingskamer waarvan de wraking is verzocht. Ten aanzien van twee van de leden (mr. A.H.W. Vink en drs. M.A. Scheltema), heeft verzoeker betoogd dat zij in andere zaken (Centric en Zed+) evident onjuiste beslissingen hebben genomen. Dit is geen grond om gerede twijfel te hebben aan de onpartijdigheid van de leden van de Ondernemingskamer in de onderhavige hoofdzaak, ook niet als verzoeker belang had bij de beslissingen in die andere zaken.
Objectieve factoren die gerechtvaardigde twijfel kunnen oproepen aan de onpartijdigheid van vorenbedoelde leden zijn ook overigens niet aannemelijk geworden.
4.4
Het verzoek tot wraking van de leden van de Ondernemingskamer zal worden afgewezen.
4.5
Gelet op het feit dat het wrakingsverzoek elke reële grond ontbeert, en gelet op de gerechtvaardigde belangen van de overige bij de hoofdzaak betrokkenen, zal de wrakingskamer bepalen dat, wegens misbruik, een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.
Dictum
Het hof:
- wijst het verzoek tot wraking van mr. A.H.W. Vink, mr. C.C. Meijer, mr. J.M. de Jongh, drs. M.A. Scheltema en drs. V.G. Moolenaar af;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.F. Aalders, F.J.P.M. Haas en R.D. van Heffen,
in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier, en is op 24 mei 2023 in het openbaar uitgesproken.
De voorzitter en griffier ondertekenen de uitspraak.
Dictum
inzake het op 24 mei 2023 gedane verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te Veghel,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1
Tijdens de openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam inzake de procedure van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [verzoeker] en de Centrale Ondernemingsraad van [bedrijf 2] , geregistreerd onder voormeld zaaknummer hoofdzaak, heeft verzoeker een verzoek tot wraking gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de vijf leden van de Ondernemingskamer: mr. A.H.W. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer, mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. M.A. Scheltema en drs. V.G. Moolenaar, raden (hierna: de leden van de Ondernemingskamer).
Van de zitting in de hoofdzaak is proces-verbaal opgemaakt.
1.2
De leden van de Ondernemingskamer hebben laten weten niet te berusten in het
wrakingsverzoek.
1.3
Op 24 mei 2023 is het wrakingsverzoek tijdens een openbare terechtzitting behandeld, nadat een verzoek tot behandeling met gesloten deuren is afgewezen. Verschenen zijn verzoeker en de leden van de Ondernemingskamer. Tevens waren aanwezig de overige partijen in de hoofdzaak.
2Ontvankelijkheid
Procesverloop
De wrakingskamer heeft ter zitting beslist dat, gelet op de door verzoeker geschetste bijzondere omstandigheden en rekening houdend met het gestelde spoedeisend belang in de hoofdzaak, verzoeker niettemin zal worden ontvangen in zijn wrakingsverzoek. Hij is in de gelegenheid gesteld zijn verzoek ter zitting nader toe te lichten.
3Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Ondernemingskamer, aan de griffier van de Ondernemingskamer de volgende gronden voor het wrakingsverzoek opgegeven:
Zed+ en in de zaak Centric zijn hartstikke onjuist en fout. In de zaak Zed+ had de Ondernemingskamer kunnen weten dat de uitspraak onjuist is. Mevrouw Scheltema is bij die uitspraak betrokken geweest. In de Centric-zaak had de Ondernemingskamer kunnen weten dat ik niets heb misdaan. Dat blijkt ook uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie. Er waren geen tegenstrijdige belangen. De Centric uitspraak is onjuist Het in beheer geven van mijn aandelen is in strijd met het recht op eigendom zoals gegarandeerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en alle andere grondrechten. De Ondernemingskamer heeft de [X ] en [Y] benoemd, die beiden ook betrokken zijn bij de zaak Zed+. Dat kan niet waar zijn. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar de [X ] .
Hij heeft deze gronden ter zitting nader toegelicht.
De leden van de Ondernemingskamer hebben – kort samengevat - bepleit dat het aangevoerde niet tot wraking kan leiden.
Beoordeling
4.1
Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek
van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Als uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter, waaronder begrepen een lid van de Ondernemingskamer, uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
4.3
Al hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd, raakt niet de onpartijdigheid van de leden van de Ondernemingskamer waarvan de wraking is verzocht. Ten aanzien van twee van de leden (mr. A.H.W. Vink en drs. M.A. Scheltema), heeft verzoeker betoogd dat zij in andere zaken (Centric en Zed+) evident onjuiste beslissingen hebben genomen. Dit is geen grond om gerede twijfel te hebben aan de onpartijdigheid van de leden van de Ondernemingskamer in de onderhavige hoofdzaak, ook niet als verzoeker belang had bij de beslissingen in die andere zaken.
Objectieve factoren die gerechtvaardigde twijfel kunnen oproepen aan de onpartijdigheid van vorenbedoelde leden zijn ook overigens niet aannemelijk geworden.
4.4
Het verzoek tot wraking van de leden van de Ondernemingskamer zal worden afgewezen.
4.5
Gelet op het feit dat het wrakingsverzoek elke reële grond ontbeert, en gelet op de gerechtvaardigde belangen van de overige bij de hoofdzaak betrokkenen, zal de wrakingskamer bepalen dat, wegens misbruik, een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.
Dictum
Het hof:
- wijst het verzoek tot wraking van mr. A.H.W. Vink, mr. C.C. Meijer, mr. J.M. de Jongh, drs. M.A. Scheltema en drs. V.G. Moolenaar af;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.F. Aalders, F.J.P.M. Haas en R.D. van Heffen,
in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier, en is op 24 mei 2023 in het openbaar uitgesproken.
De voorzitter en griffier ondertekenen de uitspraak.