Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2022-03-22
ECLI:NL:GHAMS:2022:860
Strafrecht
Raadkamer
1,587 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
rekestnummer: 001038-21 (552a Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-002900-21
Beschikking op het klaagschrift op de voet van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. J.J.J. van Rijsbergen,
Parkstraat 10, 4818 SJ te Breda.
1Inhoud klaagschrift Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager van een motorhesje/vest met daarop vermeld ‘[naam 1]’.
2
2. Procesgang Het klaagschrift is op 17 november 2021 bij het hof ingekomen.
Op 28 december 2021 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het openbaar ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennisgenomen van de relevante stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft de advocaat-generaal en de raadsman van klager op 8 maart 2022 ter gelegenheid van de openbare behandeling van het klaagschrift in raadkamer gehoord. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
3
Beoordeling
Het beslag is onder klager gelegd op grond van artikel 94 Sv in de strafzaak met voormeld parketnummer.
Klager is in de strafzaak met voormeld parketnummer in eerste aanleg -kort gezegd- primair tenlastegelegd de deelneming aan de voorzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard door het dragen van een motorhesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten van [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 1], zijnde de opvolger van [naam 2] en/of [naam 3]. Subsidiair is klager – kort gezegd – tenlastegelegd de overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hoorn door het dragen van voornoemd motorhesje.
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland locatie Alkmaar van 19 oktober 2021 is verzoeker vrijgesproken van zowel het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde feit. Met betrekking tot het motorhesje/vest met daarop vermeld ‘[naam 1]’ heeft de rechtbank geoordeeld dat dit voorwerp aan de verdachte moet worden teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich niet tegen de teruggave verzet. Het openbaar ministerie heeft op 28 oktober 2021 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
De raadsman van klager heeft teruggave aan klager bepleit en aangevoerd dat gezien de inhoud van het vonnis van de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk is dat het motorhesje/vest met daarop vermeld ‘[naam 1]’ in hoger beroep verbeurd zal worden verklaard.
De advocaat-generaal heeft verwezen naar de door het openbaar ministerie op 9 november 2021 ingediende appelschriftuur en zich op het standpunt gesteld dat thans nog niet kan worden vastgesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het hof tot een veroordeling zal komen en dat het motorhesje/vestje verbeurd zal worden verklaard. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Bij het beoordelen van een beklag op grond van art. 94 Sv zijn de volgende maatstaven van belang (HR 20 september 2011, LJN BQ6737):
- verlangt het belang van strafvordering dat het beslag wordt voortgezet? En zo nee (vgl. HR 11 december 2012, LJN BY4870, BY4873, BY4874 en BY4875),
- dan volgt teruggave aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Is een niet-beslagene de klager, dan moet te allen tijde worden getoetst of hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.11).
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de betrokken klager – of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is (lees: haast evident is dat dit niet zal gebeuren) dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen (vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3104 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:747).
De beklagrechter mag – gelet op het summiere en voorlopige karakter van de raadkamerprocedure – bij zijn oordeel niet ten gronde treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak (HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310). Het onderzoek in raadkamer kan dus slechts beperkt zijn. De beklagrechter heeft zeer weinig ruimte om een beklag gegrond te verklaren, ook al heeft de klager een mogelijk plausibel verhaal dat tegen de later oordelende strafrechter een kans van slagen heeft.
Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het hof van oordeel dat -nu in de strafzaak nog niet onherroepelijk is beslist- zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het motorhesje/vest zal bevelen.
Het hof zal het bezwaarschrift daarom ongegrond verklaren.
4
Dictum
Verklaart het klaagschrift ongegrond.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan klager.
Deze beschikking is gegeven door de enkelvoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 22 maart 2022.