Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2021-07-20
ECLI:NL:GHAMS:2021:2233
Strafrecht
Raadkamer
1,708 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000314-21 (530 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-000518-20
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. A.S. Avagyan,
[adres].
Procesverloop
Het verzoekschrift is op 3 april 2021 ingekomen.
Op 26 april 2021 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 6 juli 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.
2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 7.126,90;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 280,00 of € 550,00.
Beoordeling
Bij arrest van dit hof van 12 januari 2021 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Ad a
Ingevolge artikel 530, eerste en tweede lid Sv kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten en voor de schade, welke hij ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een advocaat, tenzij artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is.
De rechter is bij het beoordelen van een verzoek tot het toekennen van een vergoeding uit 's Rijks kas op de voet van artikel 530 Sv ter zake van de kosten van rechtsbijstand niet gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaratie, ook niet indien deze is voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. Een dergelijke declaratie is niet meer dan een uitgangspunt en de rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn (vgl. Gerechtshof Arnhem 22 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BE8953 en Gerechtshof Arnhem 8 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240). Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in de mate waarin de verzoeker aan zichzelf te wijten heeft dat hij de desbetreffende kosten heeft gemaakt, maar ook kunnen zij zijn gelegen in de bovenmatigheid van de declaratie. Het moet in dat laatste geval wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt (vgl. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2466). Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539).
Uit de bij het verzoekschrift overgelegde urenstaat blijkt dat op de dag van de vrijspraak, 12 januari 2021, 1 uur en 20 minuten geschreven wordt voor de ‘bestudering van het arrest’ en de ‘nabespreking van het arrest’. In de periode die daarop volgt, tot en met 3 april 2021, wordt nog eens 3 uur en 30 minuten gedeclareerd, onder andere voor: ‘bespreking dossier’, ‘afsluitend gesprek’, ‘archivering dossier’. Het hof is van oordeel dat terughoudend dient te worden omgegaan met het vergoeden van kosten ter zake rechtsbijstand, ingeval het de vergoeding betreft van uren die gemaakt zijn op of na de datum van de einduitspraak. Uitsluitend noodzakelijk kosten die voldoende gemotiveerd zijn, komen voor vergoeding in aanmerking.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is opgemerkt, ziet het hof aanleiding om de gevraagde uren vanaf de datum van het arrest te matigen tot 1 uur. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 6.323,25 .
Ad b
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00.
Dictum
Het hof :
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 533 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 6.323,25 zesduizend driehonderd drieëntwintig euro en vijfentwintig cent).
Kent op de voet van artikel 530 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 680,00(zeshonderdtachtig euro).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, C.J. van der Wilt en R.D. van Heffen,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 20 juli 2021.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 7.003,25 op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv] parketnummer 23-00518-20.
Amsterdam, 20 juli 2021,
mr. A.W.T. Klappe, voorzitter