Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2019-08-21
ECLI:NL:GHAMS:2019:5177
Strafrecht
Raadkamer
1,109 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001712-15
Rekestnummer: 000815-19
Datum uitspraak: 21 augustus 2019
BESCHIKKING
gegeven op het verzoekschrift op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend namens de veroordeelde:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1978,
adres: [adres],
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesgang
Bij arrest van dit hof van 11 oktober 2017 is aan de verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 177.266,52.
Deze ontnemingsmaatregel is op 12 februari 2019 onherroepelijk geworden.
Namens de verzoeker is bij een op 3 juli 2019 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift verzocht om het resterende ingevolge de ontnemingsmaatregel te betalen bedrag van € 177.266,52 te matigen.
Op grond van het verzoekschrift stelt het hof vast dat nadat de goederen van de veroordeelde waarop conservatoir beslag was gelegd in mindering zijn gebracht op de oorspronkelijk ontnemingsmaatregel van € 177.266,52 een bedrag resteert van € 166.164,65.
Het verzoekschrift is door het hof in raadkamer op 7 augustus 2019 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoeker, zijn advocaat, mr. F.P. Slewe, en de advocaat-generaal mr. J.B. Develing.
De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Beoordeling
De raadsman van de verzoeker stelt in het verzoekschrift dat het hof de ontnemingsmaatregel op een hoger bedrag heeft vastgesteld dan de som van het werkelijk voordeel, nu het hof heeft nagelaten de aanschafwaarde van de inbeslaggenomen en vernietigde hennep van € 7.058,56 en € 74.474,00 in mindering te brengen op de betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wedderrechtelijk verkregen voordeel. De inbeslaggenomen hennep moet immers als reeds ontnomen worden beschouwd. Hij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van dit hof van 21 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4285).
Het hof merkt het namens de verzoeker ingediende verzoek aan als een op grond van artikel 577b, derde lid Sv ingediend verzoek.
Artikel 577b, derde lid, Sv biedt de (ontnemings)rechter de mogelijkheid tot vermindering of kwijtschelding van het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld bedrag, wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel. In dat geval kan een rechter een beschikking geven strekkende tot vermindering of teruggave, tenminste gelijk aan het verschil.
Wil een verzoek gebaseerd op dit artikel kunnen leiden tot vermindering of kwijtschelding van het in de ontnemingsuitspraak vastgestelde bedrag van de betalingsverplichting, dan dient het verzoek te berusten op feiten en omstandigheden die niet reeds aan de ontnemingsrechter bekend waren en die van voldoende gewicht zijn om aan te nemen dat hij het in die uitspraak vastgestelde bedrag daadwerkelijk op een lager bedrag zou hebben bepaald indien hij bij het onderzoek ter terechtzitting hiermee bekend zou zijn geweest (Hoge Raad 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:970). In de onderhavige zaak betreft het echter feiten en omstandigheden die de ontnemingsrechter bekend waren. Dit staat ook niet ter discussie en volgt onder meer uit het feit dat het hof de waarde van de aangetroffen hennep heeft meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof oordeelt dan ook dat het onderhavige verzoek niet tot vermindering kan leiden en wijst het verzoek af.
Dictum
Het hof:
Wijst het verzoek van de veroordeelde tot vermindering van de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting af.
Dit beschikking is gegeven door mr. A.M. van Amsterdam, mr. J.D.L. Nuis en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof in raadkamer van 21 augustus 2019.
mr. A.M. van Amsterdam is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.