Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2019-02-18
ECLI:NL:GHAMS:2019:2343
Strafrecht
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001495-17 datum uitspraak: 18 februari 2019 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 20 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-241456-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018, 10 juli 2018, 9 oktober 2018, 2 november 2018 en 4 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op om omstreeks 11 november 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, op de luchthaven Schiphol in een aangewezen gebied (te weten het Jan Dellaertplein) waar een verbod geldt op het aanbieden van taxidiensten door anderen dan de bestuurder van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd wordt, taxidiensten heeft aangeboden terwijl hij niet de bestuurder was van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd zou worden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter. Bewijsoverweging Standpunt van de verdediging Verzoek tot voeging stukken Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019 heeft de verdediging – ten aanzien van alle zaken tegen de verdachte die op die dag zijn behandeld – het verzoek gedaan de getuigenverklaring die verbalisant [verbalisant 1] tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd op 2 oktober 2017 in de zaak tegen [slachtoffer] te voegen in de dossiers van de verdachte. Reden daarvoor zou zijn gelegen in het feit dat de verklaring inzicht geeft in de gebrekkigheid van de opleiding tot bijzonder opsporingsambtenaar (hierna: BOA). Zo noteren BOA’s niet altijd de gegevens van de getuigen die ze horen – waardoor aan de verdediging de mogelijkheid wordt ontnomen die getuigen zelf te bevragen – en verzorgen ze zelf de vertaling van verklaringen die in andere talen dan het Nederlands zijn afgelegd. Ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van de onderhavige strafzaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de enkele waarneming van de verbalisant een interpretatie is van het gebeurde en dat zonder steunbewijs niet voldoende is om een bewezenverklaring te dragen. Oordeel van het hof Verzoek tot voeging stukken Het verzoek tot het voegen van de getuigenverklaring van verbalisant [verbalisant 1] wordt afgewezen, nu de verdediging de verklaring lijkt te willen gebruiken om gebreken aan te tonen in de opleiding van BOA’s voor zover het gaat om het afnemen van getuigenverklaringen, en in de onderhavige zaak geen getuigen zijn gehoord. Het hof acht de voeging van voornoemde verklaring in het onderhavige strafdossier daarom niet noodzakelijk. Ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van het bewijs overweegt het hof als volgt. Uit het proces-verbaal staandehouding d.d. 11 november 2016 blijkt dat de verbalisant [verbalisant 2] de verdachte – een voor de verbalisant ambtshalve bekende taxironselaar – twee dames zag aanspreken op het Jan Delleartplein ter hoogte van draaideur ‘G’ te Schiphol Amsterdam Airport, derhalve binnen het gebied waarin ingevolge het Aanwijzingsbesluit een verbod geldt op het aanbieden van taxidiensten. De verbalisant heeft vervolgens waargenomen dat de verdachte met de twee dames wegliep richting de Havenmeesterweg, alwaar hij hen een taxi in hielp door de portier van de taxi open te houden. De taxi is vervolgens, zonder de verdachte, weggereden. Het hof stelt voorop dat de BOA’s die op Schiphol onderhavige werkzaamheden verrichten, moeten worden geacht in voldoende mate te beschikken over de vereiste kennis, ervaring en lokale bekendheid op basis waarvan zij waarnemen en hun bevindingen dienen te verbaliseren. De door de verbalisant beschreven gedragingen van de verdachte duiden naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm op taxironselen. Bovendien heeft de verdachte geen verklaring afgelegd die de door de verbalisant omschreven gedragingen in een ander licht plaatsen. Sterker nog, blijkens voornoemd proces-verbaal heeft de verdachte bij zijn staandehouding verklaard dat hij voornemens was dit werk gewoon te blijven doen. Daarmee lijkt de verdachte er blijk van te hebben gegeven dat hij wist dat het ‘werk’ dat hij verrichtte verboden was. In ieder geval heeft de verdachte daarmee geen alternatieve verklaringen voor zijn gedrag gegeven. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 11 november 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, op de luchthaven Schiphol in een aangewezen gebied (te weten het Jan Dellaertplein) waar een verbod geldt op het aanbieden van taxidiensten door anderen dan de bestuurder van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd wordt, taxidiensten heeft aangeboden terwijl hij niet de bestuurder was van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd zou worden. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van het bij artikel 5:14E lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 bepaalde. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De kantonrechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 150 subsidiair 3 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.500 subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan € 1.000 subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Ter terechtzitting van 4 februari 2019 heeft de verdediging ten aanzien van de strafmaat bepleit dat een (veel) lagere geldboete zou moeten worden opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 2 (twee) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2019. mr. J.D.L. Nuis en mr. R.P. den Otter zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. […] . Nota van de Burgemeester: Aanwijzing verbodsgebied aanbieden taxidiensten Schiphol op basis van artikel 5:14E Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 en het Besluit aanwijzing verbodsgebied aanbieden taxidiensten Schiphol en de kaart van het gebied.