Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2018-10-25
ECLI:NL:GHAMS:2018:3974
Strafrecht; Materieel strafrecht
Hoger beroep
2,274 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001669-16
datum uitspraak: 25 oktober 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-042254-16 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van de impliciet cumulatief tenlastegelegde mishandeling van [naam 4] . Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde – en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
▪ de door de politierechter gehanteerde bewijsoverwegingen, zoals opgenomen in paragraaf 2.2 van de aantekening van het mondeling vonnis, vervangt door de onderstaande bewijsoverwegingen;
▪ de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen als opgenomen onder 2, 3, 5 en 6 schrapt en na te noemen bewijsmiddelen daarvoor in de plaats stelt;
▪ de strafmotivering van de politierechter, zoals opgenomen in paragraaf 6 van de aantekening van het mondeling vonnis, aanvult op na te melden wijze;
▪ zal bepalen dat het bedrag dat de benadeelde partij als schadevergoeding door de politierechter is toegewezen – als gevorderd – wordt vermeerderd met de wettelijke rente.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft ontkent dat zij hoofdagent van politie [hoofdagent 1] aan haar haren heeft getrokken en dat haar lezing bevestiging vindt in de verklaring die door [naam 5] en [naam 2] zijn afgelegd. Voorts dient aan de voor de verdachte belastende processen-verbaal van [hoofdagent 1] en hoofdagent [hoofdagent 2] geen ‘dubbele bewijskracht’ als bedoeld in artikel 344, tweede lid, Sv te worden toegekend, omdat zij er belang bij zouden kunnen hebben gehad om niet onbevangen en onbevooroordeeld te verbaliseren.
Het hof overweegt dat laatstgenoemde opvatting van de raadsman in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht (vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799). Voorts ziet het hof geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte door de opsporingsambtenaren [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] opgemaakte processen-verbaal, te minder omdat beiden ten overstaan van de raadsheer-commissaris een verklaring hebben afgelegd die met die processen-verbaal overeenstemt, waarbij zij bovendien op overtuigende wijze nog nadere details over het voorval hebben gegeven. Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte heeft erkend dat zij zich heeft verzet tegen haar aanhouding door [hoofdagent 1] , alsook dat het harentrekken waarvan [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] gewag hebben gemaakt zich gedeeltelijk in de arrestantenbus heeft afgespeeld en [hoofdagent 1] daarbij was omringd door haar collega’s, terwijl de getuigen [naam 3] , [naam 5] en [naam 2] zich buiten de bus en op enige afstand bevonden. Dat die drie getuigen niet hebben gezien dat de verdachte aan de haren van [hoofdagent 1] heeft getrokken, sluit dus niet uit dat van harentrekken wel degelijk sprake is geweest. Het verweer wordt verworpen.
Aanpassing bewijsmiddelen
Naast de in de aantekening van het mondeling vonnis onder 4 en A opgenomen bewijsmiddelen legt het hof aan de bewezenverklaring de navolgende bewijsmiddelen ten grondslag:
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016044990-5 van 27 februari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (hoofdagent) [hoofdagent 1] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op zaterdag 27 februari 2016, omstreeks 03.55 uur, bevond ik mij op het Rembrandtplein te Amsterdam, gekleed in uniform en belast met surveillance in het uitgaansgebied.
Middels de portofoon hoorde ik dat er een vechtpartij zou zijn bij de bushalte ter hoogte van de Escape. Ik ben ten spoedigste ter plaatste gegaan. Aldaar zag ik een vrouw met een korte broek. Ik zag op haar rechter bovenbeen een ronde plek van ongeveer 7 centimeter doorsnede. Toen ik [haar] vroeg wat er was gebeurd vertelde zij mij in de Engelse taal dat zij zojuist was gebeten was door een vrouw. Toen ik vroeg wie dat gedaan had, zag ik een vrouw met een bruine jas slaande bewegingen in de richting van het slachtoffer [het hof begrijpt hier en verder: de Engelstalige vrouw] maken en naar haar schreeuwen. Ik hoorde dat het slachtoffer riep: “She!”. Ik heb de vrouw met de bruine jas bij haar arm gepakt. Toen door collega’s was doorgevraagd en bleek dat de vrouw, die ik vast had, aangewezen was door het slachtoffer, heb ik de verdachte, die later op gaf te zijn genaamd: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , medegedeeld dat zij aangehouden was voor mishandeling. Voordat ik haar kon mededelen dat zij niet tot antwoorden verplicht was, voelde ik dat zij zich begon te verzetten. Ik heb [verdachte] vervolgens mee laten lopen naar de bus voor het arrestantentransport. Ik liet haar in de bus stappen. Ik zag dat zij met haar armen om zich heen begon te zwaaien en dat zij probeerde uit de arrestantenbus te komen. Ik heb haar vervolgens op de achterste stoel geduwd. Ik heb toen snel de ruimte verlaten en wilde de deur dichtdoen. Zij klemde echter haar hand om de deurstijl heen, waardoor ik de deur niet kon sluiten. Ik stapte hierbij uit de bus. Ik zag dat een collega de bus in stapte en haar in de richting van de achterste ruimte duwde. Ik zag dat [verdachte] met veel vaart weer in de richting van de collega kwam en hem daarbij achteruit duwde. Ik stapte met een voet in de bus, om de collega ruimte te geven, en haar hand los te kunnen maken. Op dat moment kwam zij weer naar voren, waardoor ik uit de bus stapte. Zij stond nog in de bus. Ik voelde dat zij met haar handen over mijn hoofd ging en mijn haar van bovenaf vastpakte onder mijn staart, ter hoogte van mijn achterhoofd. Ik voelde dat zij mijn haar stevig vastpakte en ik voelde haar nagels over mijn huis [het hof begrijpt: huid] krassen. Ik voelde dat zij hard aan mijn haar trok en dat ze steeds harder begon te trekken. Ik voelde onmiddellijk pijn in mijn hoofd en nek. Ik stond met mijn hoofd naar beneden tussen twee collega’s die haar onder controle probeerden te krijgen.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de haar ten laste gelegde mishandeling van [naam 4] .
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Bepaalt dat het door de politierechter aan de benadeelde partij als schadevergoeding toegewezen bedrag van € 250,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2016 tot aan de dag der voldoening.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. J.D.L. Nuis en mr. V. Mul, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 oktober 2018.
mr. J.J.I. de Jong is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
.