Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2018-10-09
ECLI:NL:GHAMS:2018:3725
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
4,016 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.239.685/01 SKG
zaaknummer rechtbank : C/13/644945 / KG ZA 18-271 CB/AB
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 oktober 2018
inzake
[de vrouw]
,
wonend te [plaats a] ,
appellante,
advocaat: mr. J.B.G. Gelissen te Sittard,
tegen
[de man]
,
wonend/gevestigd te [plaats b] , België,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.J. Montanus te Amsterdam.
Procesverloop
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De vrouw is bij dagvaarding van 17 mei 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2018, in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.
De appeldagvaarding bevat de grieven.
De man heeft daarna een memorie van antwoord, met productie ingediend.
De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad -
Primair:
zal bepalen dat de man gehouden is om binnen een week na betekening van dit arrest, dan wel binnen een termijn welke het hof in goede justitie juist acht, jegens de vrouw en hun dochter te voldoen zijn achterstallige betalingsverplichtingen;
alsmede de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment dat de man in verzuim is, te weten 18 mei 2017, dan wel vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen termijn;
Subsidiair:
- het bestreden vonnis zal vernietigen en zal bepalen dat de zaak zal worden verwezen naar de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, ter verdere behandeling in eerste aanleg;
Primair en subsidiair:
- de man zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, te weten de eigen bijdragen en de griffierechten, dan wel, wanneer de toevoeging zal worden ingetrokken wegens het behaalde resultaat, de kosten van de advocaat van de vrouw, alsmede in alle overige kosten welke door en namens de vrouw, binnen en buiten rechte, ten behoeve van deze procedure zijn gemaakt en tot vergoeding van de kosten ten behoeve van de executie van dit arrest en zal bepalen dat, wanneer hij deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit arrest dan wel een andere door het hof te bepalen termijn heeft voldaan, deze kosten zullen worden verhoogd met de wettelijke rente.
De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en zich onbevoegd zal verklaren van de vordering van de vrouw kennis te nemen, althans de vrouw niet ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans deze zal afwijzen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende ) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.
2.1
Partijen zijn [in] 1999 te Amsterdam met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is geboren: [dochter] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] (Duitsland). Zij heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.2
Bij beschikking van 6 juli 2016 is door heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In het van deze beschikking onderdeel uitmakende en aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan is, voor zover relevant, respectievelijk bepaald:
“PARTNERALIMENTATIE
Artikel 5 Algemeen
5.1
[de man] (hof: de man) zal, met ingang van de datum van deze overeenkomst, gedurende 10 jaar maandelijks bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand aan [de vrouw] (hof: de vrouw) voldoen een bedrag van € 800,- bruto, als bijdrage in haar levensonderhoud.
(…)
5.3
Deze alimentatie is te beginnen m.i.v. 1 juli 2016 onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW.”
OUDERSCHAPSPLAN
“1. Verzorging en opvoeding
(…)
Met betrekking tot de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding hebben zij de navolgende regelingen getroffen. [dochter] is per 1 september 2016 ingeschreven aan het United World College in Maastricht (‘UWC’) en zij zal haar middelbare school op deze school afronden. [de man] draagt de jaarlijkse schoolkosten voor [dochter] (Euro 8.000) door middel van de hieronder geregelde kinderalimentatie.
2. Kinderalimentatie
2.1
[de man] zal met ingang van 1 juli 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] aan [de vrouw] betalen een bedrag van € 1.250,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met elke wettelijke kindertoelage waarop [de man] aanspraak kan maken.
2.2
Deze bijdrage ten behoeve van [dochter] zal jaarlijks, te beginnen m.i.v. 1 februari 2017, worden verhoogd volgens de op dat moment geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW.”
2.3
In een door partijen opgestelde en ondertekende aanvullende overeenkomst bij het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan van 30 juli 2016 zijn partijen overeengekomen dat het convenant zal worden gewijzigd als volgt:
“(…)
HET OUDERSCHAPSPLAN
Artikel 1 Het ouderschapsplan zal worden gewijzigd:
1.1
[de man] zal het in de artikelen 1 en 2.1 genoemde schoolgeld als onderdeel van de kinderalimentatie separaat en direct aan de school betalen. Voor het overige zal de kinderalimentatie tesamen met de partneralimentatie aan [de vrouw] betaald worden.
DE PARTNERALIMENTAIE
Artikel 2 Het convenant zal als volgt worden gewijzigd:
2.1.1
Het door [de man] aan [de vrouw] maandelijks te betalen bedrag zoals genoemd in artikel 5.1 van het Convenant wordt, inclusief de kinderalimentatie conform artikel 1.1 verhoogd tot € 2.600. (…)”
2.4
De man is sinds 2017 in gebreke gebleven in de nakoming van zijn alimentatieverplichtingen. De vrouw heeft – tot nu toe vergeefs – in september 2017 het LBIO (Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen) ingeschakeld.
Beoordeling
3.1
In hoger beroep is allereerst aan de orde het antwoord op de vraag of de voorzieningenrechter zich onbevoegd kon verklaren om van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen. De vrouw heeft in eerste aanleg de man in kort geding gedagvaard wegens niet nakoming door de man van zijn verplichtingen uit (primair) de aanvullende overeenkomst en (subsidiair) het door de rechtbank in zijn beschikking opgenomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan. De vrouw heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd:
veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van primair € 33.800,-, en subsidiair € 26.650,-, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente en onder verbeurte van een dwangsom voor ieder(e) dag(deel) dat de man in gebreke is en voorts veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
De voorzieningenrechter heeft zich in het bestreden vonnis naar aanleiding van een door de man ter zitting opgeworpen bevoegdheidsincident op de voet van artikel 11 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onbevoegd verklaard van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen wegens het ontbreken van rechtsmacht en vervolgens de proceskosten gecompenseerd. De voorzieningenrechter heeft zich daarbij gebaseerd op artikel 4 lid 3 Rv.
Tegen deze uitspraak komt de vrouw met twee grieven op. In haar eerste grief stelt de vrouw dat de motivering van de voorzieningenrechter dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft onjuist is en dat de voorzieningenrechter heeft verzuimd op alle door haar aangevoerde gronden in te gaan. Zij licht deze grief als volgt toe. De voorzieningenrechter heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de toelichting in Tekst&Commentaar op art. 4 Rv, aantekening 8d. Deze toelichting handelt echter over geschillen met betrekking tot de echtelijke woning en dus niet over een geschil als het onderhavige. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet ingegaan op haar beroep op artikel 9, aanhef en onder c Rv wegens verbondenheid van het geschil met de Nederlandse rechtssfeer en op het ontbreken van gesubsidieerde rechtsbijstand in België waardoor zij financiële risico’s loopt die zij niet kan dragen.
In haar tweede grief verwijt zij de voorzieningenrechter niet ambtshalve de Europese Alimentatieverordening te hebben toegepast. Volgens haar is primair de rechter die de echtscheiding behandelt en subsidiair de rechter van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde bevoegd van het geschil kennis te nemen op grond van (naar het hof begrijpt) respectievelijk artikel 3 sub c en sub b van deze verordening.
Tot slot stelt zij dat de voorzieningenrechter de zaak op grond van de artikelen 72, 73 en 270 Rv had moeten verwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Maastricht.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.2
Het hof zal de grieven van de vrouw gezamenlijk bespreken en overweegt als volgt. Op 18 juni 2011 is de Alimentatieverordening (EG) 4/2009 (hierna de EG-Alimentatieverordening) van 18 december 2008 in werking getreden. Deze EG-Alimentatieverordening regelt de bevoegdheid, het toepasselijk recht (door verwijzing naar het “Haags Protocol 2007” in artikel 15 van de EG-Alimentatieverordening), de erkenning en ten uitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen die hun oorsprong vinden in het familierecht. Op grond van artikel 75 van de EG-Alimentatieverordening heeft deze directe werking en is aldus van toepassing op alimentatiezaken aanhangig gemaakt vanaf 18 juni 2011.
De doelstelling van deze verordening is onder meer vereenvoudiging en versnelling van de beslechting van grensoverschrijdende geschillen over levensonderhoud en voor zoveel mogelijk afschaffing van intermediaire maatregelen noodzakelijk voor de erkenning en tenuitvoerlegging van met name een beslissing inzake levensonderhoud. Daarbij zijn de geschillen over levensonderhoud niet enkel beperkt tot de vaststelling en wijziging daarvan, zoals de man heeft aangevoerd. Daartoe biedt de tekst van de EG-Alimentatieverordening geen aanknopingspunten, terwijl het begrip onderhoudsverplichting autonoom moet worden uitgelegd, en de verordening mede ziet op erkenning en tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen. In dit kader is van belang de uitspraak van het Hof van Justitie, HvJ EG 27 februari 1997, C-220/95, NJ 1999/112 waarin is bepaald dat de rechter het specifieke doel van de gegeven beslissing voor ogen moet hebben. Een beslissing dient als een alimentatiebeslissing te worden aangemerkt indien het een prestatie behelst die bedoeld is om het onderhoud van een behoeftige echtgenoot te verzekeren, of indien de behoeften en de middelen van elk der echtgenoten in aanmerking worden genomen voor de bepaling van het te betalen bedrag (r.o. 22).
Het gaat in het onderhavige geschil om de betaling van kinder- en partneralimentatie, een onderhoudsverplichting voortvloeiend uit een familiebetrekking/huwelijk. Dat het hierover gaat volgt ook uit de stellingen van de vrouw in eerste aanleg vooruitlopend op de verweren van de man dat hij niet over de financiële middelen beschikt om te betalen (hier: wijzigingsgrond voor een onderhoudsverplichting) en dat de vrouw inmiddels zou samenwonen als ware zij gehuwd (hier: beëindigingsgrond voor een onderhoudsverplichting).
Gelet op het voorgaande dient de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is en zo ja welke derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de EG-Alimentatieverordening.
Uit het bepaalde in artikel 3 (en volgende) van de EG-Alimentatieverordening volgt dat de rechter de absolute en relatieve bevoegdheid toetst aan de hand van de in deze verordening geformuleerde rechtsmachtsregels en dus niet meer aan de hand van de regels van het nationale recht, het commune IPR in de artikelen 1 tot en met 14 Rv.
Anders dan de vrouw meent is het bepaalde in artikel 3 sub c van de EG-Alimentatieverordening in dezen niet van toepassing. Op dit moment is er geen echtscheidingsprocedure aanhangig en is er in die zin dus geen sprake van een nevenverzoek bij een echtscheidingsprocedure.
Wel is, zoals de vrouw stelt, het bepaalde in artikel 3 sub b van de EG-Alimentatieverordening van toepassing. Omdat de vrouw, de onderhoudsgerechtigde, en ook de minderjarige hun gewone verblijfplaats in [plaats a] hebben, is de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht bevoegd.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de vrouw in zoverre slagen dat anders dan de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft overwogen een Nederlands gerecht rechtsmacht heeft en bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Uitgaande van voormelde regel is echter niet de rechtbank Amsterdam maar de rechtbank Limburg, locatie Maastricht bevoegd.
Ingevolge het bepaalde in artikel 10 van de EG-Alimentatieverordening dient de aangezochte rechter ambtshalve zijn bevoegdheid te toetsen en verklaart hij zich onbevoegd, indien hij volgens deze verordening niet bevoegd is.
Nu de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, zoals hiervoor overwogen niet bevoegd is, diende deze zich met toepassing van het bepaalde genoemd artikel 10 van de EG Alimentatieverordening onbevoegd te verklaren.
3.3
De vraag doet zich voor of er ruimte is voor het hof de zaak zelf af te doen overeenkomstig de primaire vordering van de vrouw of - mede in navolging van de subsidiaire vordering van de vrouw - voor toepassing van de artikelen 72, 73, 76 en 270 Rv, de eigen nationale verwijzingsregels. De EG-Alimentatieverordening regelt weliswaar de absolute en relatieve bevoegdheid van een gerecht maar niet wat de gevolgen zijn van een ambtshalve onbevoegd verklaring of anders gezegd de EG-Alimentatieverordening bevat geen bepaling op grond waarvan de rechter die zich
onbevoegd verklaart de zaak dient te verwijzen naar de wel bevoegde rechter.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht in de staat waarin deze zich bevindt;
compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.J. Peters, M.C. Schenkeveld en T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.