Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2017-12-05
ECLI:NL:GHAMS:2017:5519
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 16/00103 5 december 2017 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk ALK 14/1482 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 14 januari 2016 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Medemblik , de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 22 februari 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag afvalstoffenheffing ter hoogte van € 350,50 opgelegd voor het perceel [A-weg] 143 te [Z] . 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 20 juni 2014 de aanslag gehandhaafd. 1.3. Na het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak: het beroep gegrond verklaard; de uitspraak op bezwaar vernietigd; bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak in stand blijven; en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 februari 2016, aangevuld bij brief van 7 juni 2016. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Bij brief van 22 juni 2017 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Hiervan is een afschrift verstrekt aan de heffingsambtenaar. 1.6. Op verzoek van het Hof heeft de heffingsambtenaar op 23 oktober 2017 per e-mail een bericht met bijlage toegezonden aan het Hof. Een kopie van het bericht met bijlage is op 23 oktober 2017 door de griffier van het Hof doorgezonden aan belanghebbende. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is gebruiker van het perceel [A-weg] 143 te [Z] (gemeente Medemblik). Ten aanzien van dit perceel geldt krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer (Wmb) een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. 2.2. De gemeente Medemblik heeft de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen uitbesteed aan HVC B.V. te Alkmaar (hierna: HVC). De door HVC hiervoor in rekening gebrachte kosten, vermeerderd met 1% perceptiekosten (personeelskosten), worden – inclusief de door HVC op haar facturen in rekening gebrachte omzetbelasting – via de afvalstoffenheffing verhaald. 2.3. De raad van de gemeente Medemblik heeft in zijn openbare vergadering van 16 december 2013 de Verordening afvalstoffenheffing 2014 (hierna: de Verordening) vastgesteld, die op 19 december 2013 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 2, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat de afvalstoffenheffing wordt geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 Wmb een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.4. In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een nader overzicht verstrekt van de aan de vaststelling van de tarieven van de afvalstoffenheffing 2014 ten grondslag gelegde raming van baten en lasten ter zake. In dit overzicht is onder andere het volgende vermeld: “Bij brief van 31 oktober 2013 heeft HVC haar tarieven dienstverlening 2014 bekend gemaakt: Een persoon Meer personen Basistarief € 215,10 € 297,10 Korting verbranding/ compostering € 3,78 - € 11,29 - Tarief na korting € 211,32 € 285,81 Vereveningsbijdrage kwijtschelding € 13,12 + € 13,12 + Tarief na vereveningsbijdrage € 224,44 € 298,93 Btw 21% en perceptiekosten 1% € 49,38 + € 65,76 + Voorgestelde tarieven 2014 afgerond € 273,90 € 364,70 Vastgestelde tarieven 2014 € 264,20 € 350,50 Verschil kosten/baten € 9,70 - € 14, 20 - Bij de behandeling van de begroting heeft de raad besloten de voorgestelde kostendekkende tarieven afvalstoffenheffing niet door te willen berekenen maar de tarieven gelijk te houden aan de vastges Eiser heeft daarbij aangegeven er geen prijs op te stellen alsnog te worden gehoord. Hij heeft de rechtbank verzocht een inhoudelijk oordeel te geven over de hoogte van de hem opgelegde aanslag. (…) 6. Artikel 15.33, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer luiden als volgt: 1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 3. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds. 7. Met verweerder concludeert de rechtbank dat het bepaalde in het derde lid van de hierboven aangehaalde wettelijke bepaling aan gegrondverklaring van het beroep in de weg staat. Hieruit blijkt immers dat een vergoeding uit het BTW-compensatiefonds niet met zich brengt dat de aan de inzamelaar betaalde omzetbelasting niet tot de kosten behoort die bij de vaststelling van de hoogte van de afvalstoffenheffing kan worden betrokken. De wijze waarop de gemeente Medemblik de betaalde BTW en de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds in haar administratie verwerkt kan aan dat oordeel niet afdoen. De rechtbank merkt daarbij op dat de keuze van de wetgever met zich brengt dat de verschuldigde BTW als kosten kunnen worden verantwoord terwijl daarnaast een vergoeding van die kosten uit het compensatiefonds wordt verkregen. De wetgever heeft daarmee bewust de mogelijkheid geschapen dat in de begroting - in weerwil van het uitgangspunt bij een bestemmingsheffing - structureel een batig saldo ontstaat. Deze innerlijke tegenstrijdigheid kan evenwel niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, nu artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, bepaalt dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. 8. De uitspraken waarnaar eiser ter zitting heeft verwezen hebben geen betrekking op geschillen waarbij de effecten van bijdragen uit het BTW-compensatiefonds op de gemeentelijke begroting een rol speelden. De rechtbank kent daarom aan deze uitspraken voor het onderhavige geschil geen betekenis toe. 9. De overige door verweerder aan de hoogte van de heffing ten grondslag gelegde kosten zijn door eiser niet betwist. 10. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven gehoord te willen worden voorafgaande aan de uitspraak op zijn bezwaar en dat verweerder dit heeft nagelaten. Verweerder heeft deze omissie ook erkend. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. In hetgeen met betrekking tot het materiele geschil is overwogen ziet de rechtbank aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten.” 4.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald dat de tarieven in de Verordening zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten uitgaan boven de geraamde lasten ter zake, zodat de Verordening (in elk geval partieel) onverbindend moet worden verklaard. De gemeente heeft volgens belanghebbende namelijk de door HVC ter zake van de inzameling van afvalstoffen aan de gemeente in rekening te brengen omzetbelasting, waarvoor de gemeente een vordering op het BTW-compensatiefonds verkrijgt, ten onrechte tot de geraamde lasten ter zake gerekend. Aangezien de bedragen die de gemeente uit het BTW-compensatiefonds ontvangt niet worden besteed aan specifieke uitgaven ter zake van het inzamelen van afvalstoffen, dient de door HVC in rekening gebrachte omzetbelasting bij de lastenraming buiten beschouwing te worden gelaten; in dat geval is in het onderhavige jaar – evenals in eerd Om deze onbedoelde budgettaire verschuiving te voorkomen zullen het gemeentefonds en het provinciefonds structureel worden verlaagd met een bedrag ter grootte van deze historische BTW. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het BTW-compensatiefonds budgettair neutraal kan worden ingevoerd voor zowel het Rijk als de collectiviteit van de gemeenten en provincies. (…) Budgettaire effecten individuele gemeenten en provincies De «gemiddelde» gemeente of provincie zal er (…) in eerste instantie financieel niet op vooruit of achteruit gaan. Zij krijgt weliswaar minder uit het gemeentefonds respectievelijk provinciefonds, maar daar staat tegenover dat de betaalde BTW nu geclaimd kan worden bij het BTW-compensatiefonds, zodat het financiële effect per saldo nihil is. (…) Kostendekkende heffingen Op dit moment brengen gemeenten op grond van artikel 229 van de Gemeentewet via een aantal heffingen kosten in rekening. (…) Daarnaast kunnen gemeenten op grond van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer ter bestrijding van de kosten voor het verwijderen van huishoudelijk afval een heffing instellen. In artikel 229b van de Gemeentewet, respectievelijk artikel 225 van de Provinciewet, wordt bepaald dat maximaal de volledige kosten via de heffing in rekening kunnen worden gebracht. Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer kent een eigen opbrengstlimiet. Het moet gaan om kosten die verbonden zijn aan de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen. Bij dit type heffingen worden op dit moment kosten in rekening gebracht waarin impliciet een BTW-component zit. In de toekomst krijgen gemeenten en provincies deze BTW-lasten gecompenseerd uit het BTW-compensatiefonds. Tegelijkertijd met de invoering van het fonds vindt een uitname plaats uit het gemeentefonds en het provinciefonds. (…) Door het feit dat gemeenten en provincies de desbetreffende BTW voortaan gecompenseerd krijgen uit het fonds, komt het kostenniveau dat relevant is voor de bepaling van de maximale tarieven van de kostendekkende heffingen zonder wetswijziging in de toekomst lager uit. Hierdoor moeten gemeenten en provincies – in het geval zij een tarief hanteren dat een (vrijwel) kostendekkend niveau kent – de tarieven van de heffingen verlagen. Door een aanpassing van de betreffende artikelen wordt een lastenverschuiving, die gevolg zou kunnen zijn van de invoering van het BTW-compensatiefonds, voorkomen.” 4.4.3. In zijn advies bij het wetsvoorstel voor de Wet op het BTW-compensatiefonds heeft de Raad van State – voor zover hier relevant – het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1999/2000, 27 293, A, blz. 12): “17. Terzake van verschillende kostendekkende heffingen op grond van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Wet milieubeheer, wordt voorgesteld bij het bepalen van de maximale hoogte van die heffingen de omstandigheid dat voor de omzetbelastingcomponent vergoeding uit het BTW-compensatiefonds plaatsvindt, buiten aanmerking te laten. Dat is strijdig met het karakter van die heffingen. Dergelijke heffingen dienen voor de dekking van kosten, niet voor andere doeleinden. De voorgestelde uitsluiting leidt er in feite toe dat deze heffingen winstgevend worden. De Raad adviseert het kostendekkende karakter van de bedoelde heffingen in stand te laten.” 4.4.4. In het nader rapport heeft de minister van Financiën als volgt gereageerd op dit onderdeel uit het advies van de Raad van State ( Kamerstukken II 1999/2000, 27 293, A, blz. 12): “17. (…) Zonder aanvullende wetgeving leidt de invoering van het BTW-compensatiefonds er toe dat de compensatie uit het fonds beschouwd wordt als baten waardoor deze kosten niet meer via de heffingen in rekening gebracht kunnen worden. Doordat gemeenten en provincies de betreffende BTW voortaan gecompenseerd krijgen uit het fonds, komt het kostenniveau dat relevant is voor de bepaling van de maximale tarieven van de kostendekkende heffingen zonder wetswijziging in de toekomst lager uit. Hierdoor moeten gemeenten en provincies - in het geval zij een tarief hanteren