Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2017-11-21
ECLI:NL:GHAMS:2017:4836
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.187.921/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 4324473\CV EXPL 15-4842 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellante, advocaat: mr. M.L. Winters te Velserbroek, tegen STICHTING PARTEON , gevestigd te Wormerveer, gemeente Zaandstad, geïntimeerde, advocaat: mr. A.M. Langeloo te Amsterdam, en [X] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , gevoegde partij aan de zijde van Stichting Parteon, advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar. 1 Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] , Parteon en [X] genoemd. Voor het procesverloop tot 30 augustus 2016 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij genoemd arrest is voor zover hier van belang in het incident [X] toegestaan zich in de onderhavige procedure te voegen aan de zijde van Parteon en de beslissing omtrent de proceskosten aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak, en in de hoofdzaak de zaak verwezen naar de rol voor memorie van grieven en iedere verdere beslissing aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende akte overlegging producties en akte houdende wijziging van eis, met producties; - memorie van antwoord zijdens Parteon, met producties; - memorie van antwoord zijdens [X] , met producties. Vervolgens is op 1 juni 2017 een comparitie van partijen gehouden. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun voornoemde advocaten, [appellante] en Parteon aan de hand van schriftelijke aantekeningen die zijn overgelegd. [appellante] heeft bij die gelegenheid haar eis gewijzigd. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. De zaak is vervolgens aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Na diverse rolverwijzingen heeft Parteon een akte na comparitie, met producties, genomen. Daarop heeft vervolgens ook [X] een akte na comparitie genomen en [appellante] een memorie na comparitie, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft – na eiswijziging bij gelegenheid van de comparitie van partijen in appel – geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad: PRIMAIR I. Parteon zal veroordelen om uiterlijk binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen arrest wederom een procedure tegen [X] aanhangig te maken waarin Parteon op grond van de door [X] veroorzaakte overlast, alsmede op grond van aantoonbare misleiding, ontbinding vordert van de huurovereenkomst met [X] met betrekking tot de woning aan de [adres 1] , alsmede ontruiming van die woning, onder gelijktijdig afschrift van de (appel)dagvaarding aan de advocaat van [appellante] ; II. Parteon zal verplichten om tot aan de datum van ontbinding en ontruiming, alle haar ten dienst staande middelen in te zetten om de door [X] veroorzaakte overlast te staken; III. ex artikel 7:207 BW voor recht zal verklaren dat de huurprijs van de door [appellante] van Parteon gehuurde woonruimte aan de [adres 2] met ingang van de maand juli 2015, dan wel per februari 2016, dient te worden verminderd met 30 % van de maandelijks verschuldigde huurprijs ad € 543,-, dienovereenkomstig een terugbetalingsverplichting van Parteon aan [appellante] tot gevolg hebbend van respectievelijk € 2.443,50 dan wel € 1.303,20, tot aan de datum van de sub I gevorderde ontbinding en ontruiming, dan wel een andere door het hof in goede justitie te bepalen percentage en ingangs- en einddatum; VOORWAARDELIJK IV. indien de onder I gevorderde procedure uiteindelijk niet heeft geleid tot ontbinding en ontruiming van [X] (c.s.), Parteon zal verplichten om aan [appellante] aan te bieden gelijkwaardige woonruimte met tuin, een en ander om een verhuizing van [appellante] te kunnen bewe In een brief van Parteon van 29 augustus 2013 is [X] gesommeerd om een einde te maken aan de overlast door de honden. 2.7. In een convenant van 12 september 2013 tussen de Dierenbescherming en [X] is neergelegd dat [X] maximaal acht honden en één kat zal houden en dat zij geen nieuwe huisdieren meer zal aanschaffen, overnemen of opvangen. 2.8. In een bijlage bij de huurovereenkomst tussen Parteon en [X] van 20 september 2013 is onder meer overeengekomen dat de opvang van honden in de woning van [X] per direct wordt gestaakt en niet meer mag worden opgevoerd, dat de honden die in de woning verblijven geen overlast mogen veroorzaken, en dat bij overlijden, inbeslagname of afstand doen van de huidige honden er geen vervanging van honden of andere dieren mag plaatsvinden. 2.9. Op 18 juli 2014 heeft [A] , consulent sociaal beheer van Parteon, een bezoek gebracht aan de woning van [X] , naar aanleiding van nieuwe klachten over geblaf van de honden van [X] . Parteon heeft naar aanleiding van dat bezoek bij brief van 23 juli 2014 aan [X] meegedeeld dat is gebleken dat [X] zich niet aan alle voorwaarden houdt, omdat zij een hond tijdelijk opvangt en er een nieuw nest met puppy’s is. Verder wordt in die brief bevestigd dat met [X] de nieuwe afspraak is gemaakt dat zij voor de honden “die het meest blaffen diervriendelijke blafbanden” gaat kopen. 2.10. Op 29 januari 2015 heeft Parteon opnieuw een huisbezoek afgelegd bij [X] , naar aanleiding van klachten over overlast van de honden. In een brief van 6 februari 2015 heeft Parteon aan [X] te kennen gegeven dat bij het huisbezoek is geconstateerd dat zij zich niet aan de afspraken had gehouden, omdat er negen in plaats van zeven honden in de woning aanwezig waren. In die brief is ook aangegeven dat geen vervuiling of stankoverlast is waargenomen of aangetroffen. 2.11. In een e-mail van [B] , consulent sociaal beheer van Parteon, wordt gesteld dat bij een huisbezoek van 16 oktober 2015 bij de woning van [X] geen vervuiling of stank is geconstateerd. Verder is volgens die e-mail bij dat huisbezoek gebleken dat er acht honden aanwezig waren in de woning van [X] , die bij het aankloppen op het raam gingen blaffen, maar kort daarna weer onder controle waren. 2.12. Op 18 oktober 2016 is Parteon een ontbindings- en ontruimingsprocedure tegen [X] gestart. Bij vonnis van 23 maart 2017 (dat is nadat het bestreden vonnis is gewezen) heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland de vordering van Parteon afgewezen. Tegen dat vonnis Parteon heeft bij exploot van 22 juni 2017 hoger beroep ingesteld. Deze zaak is thans nog niet bij het hof aangebracht: de aan [X] aangezegde rechtsdag is 18 januari 2018. 3 Beoordeling 3.1. De kantonrechter heeft in eerste aanleg de toen voorliggende vorderingen van [appellante] dat Parteon zou worden veroordeeld (i) een procedure tegen [X] aanhangig te maken strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen die laatste en Parteon alsmede tot ontruiming van het door [X] gehuurde en (ii) tot betaling van schadevergoeding, afgewezen. De subsidiaire vordering dat Parteon zou worden veroordeeld alle middelen in te zetten om de door [X] veroorzaakte overlast te staken, heeft hij toegewezen. De kantonrechter heeft Parteon daarbij veroordeeld de in rov 5.14 genoemde maatregelen te nemen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, voor zover deze een afwijzing van haar vorderingen inhoudt, komt [appellante] met haar grieven op. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking, zulks met dien verstande dat het hof deze (slechts) zal behandelen met het oog op en in verband met de door [appellante] in appel ingestelde vorderingen. 3.2. Wat dit laatste betreft, overweegt het hof reeds hier dat het de eiswijziging van [appellante] zoals vervat in haar memorie van 29 augustus 2017 als strijdig met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing zal laten. Niet valt in te zien waarom [appellante] deze eiswijziging niet reeds heeft gedaan bi