Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2016-08-19
ECLI:NL:GHAMS:2016:3395
Strafrecht
Hoger beroep
2,348 tokens
Inleiding
Parketnummer: 23-001714-15
Datum uitspraak: 19 augustus 2016
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-810141-14 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:hij op of omstreeks 31 maart 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, in elk geval in Nederland met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, De Rijksweg N200 en/of de Osdorperweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];
2:hij op of omstreeks 31 maart 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarwoude en/of Haarlem in elk geval in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument of Nederlandse identiteitskaart, te weten een Nederlands paspoort op naam van [naam], welk gebruik hierin bestond dat hij verdachte zich heeft geïdentificeerd met voornoemde paspoort bij de politie ter gelegenheid van zijn aanhouding;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van feit 1 tot een andere beslissing komt dan de rechtbank en een andere straf oplegt.
Bespreking verweer omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging wegens strijd met de beginselen van de goede procesorde in die zin dat de zaak in volle omvang samen met die van de aangevers aan de rechtbank had moeten worden voorgelegd. Dat nalaten is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van een zorgvuldige vervolging.
Het hof stelt voorop dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Aan het procesdossier ontleent het hof dat de officier van justitie een bewuste keuze heeft gemaakt welke van alle bij de gebeurtenissen van 31 maart 2014 betrokken personen te vervolgen. Dat door bepaalde betrokkenen wellicht niet eenduidig is verklaard, is een omstandigheid die bij de inhoudelijke beoordeling van de tenlastelegging zal dienen te worden gewogen, maar staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat wellicht aanwijzingen bestaan dat naast de verdachte en zijn medeverdachte ook andere betrokkenen strafbare feiten hebben gepleegd. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is daarenboven reeds niet gebleken, nu geen sprake lijkt te zijn van gelijke gevallen. In ieder geval is de stelling van de verdediging dat wel sprake is van gelijke gevallen, onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging (vgl. HR 16 april 1996, NJ 1996/527 en HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:286).
Het verweer wordt verworpen.
Vordering van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld ter verdediging van zijn of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Vrijspraak feit 1
Het hof stelt vast dat de verklaringen van de aangevers onvoldoende inzicht geven in wat op 31 maart 2014 is gebeurd. De verklaringen stemmen op belangrijke punten niet overeen. Het is daarom niet mogelijk om op betrouwbare wijze aan de hand van deze verklaringen vast te stellen wat er tussen aangevers en de verdachten is voorgevallen. Het heeft er overigens alle schijn van dat geen van de betrokkenen voor wat betreft het verloop van de avond van 31 maart 2014 het achterste van zijn tong heeft laten zien. Het hof baseert zich voor wat betreft de beoordeling van de onderhavige zaak daarom in belangrijke mate op de verklaringen van onafhankelijke getuigen en op die onderdelen van de verklaringen van aangevers en de verdachten waarover geen van allen van mening lijken te verschillen.
Met het vorenstaande als uitgangspunt, stelt het hof vast dat de aangevers in een Volkswagen Polo de verdachten, rijdende in een Volkswagen Golf, hebben klemgereden op de N200 ter hoogte van de kruising met de Osdorperweg, in Halfweg. Vervolgens is het tot een gewelddadig treffen gekomen tussen een of meer van de aanwezige personen. In de zaak van medeverdachte [medeverdachte] komt het hof tot de conclusie dat wettig bewijs ontbreekt dat hij geweld heeft gebruikt of daaraan een bijdrage heeft geleverd als medepleger. Nu de verdachte – al bevat het procesdossier aanwijzingen dat van hem al dan niet bij wijze van verdediging geweld is uitgegaan – slechts is ten laste gelegd dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd, kan het bestanddeel “in vereniging” niet worden bewezen verklaard, met als gevolg dat de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2:hij op 31 maart 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Nederlands paspoort op naam van [naam], welk gebruik hierin bestond dat hij verdachte zich heeft geïdentificeerd met voornoemde paspoort bij de politie ter gelegenheid van zijn aanhouding.
Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. J.D.L. Nuis en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 augustus 2016.
Mr. J.D.L. Nuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[....]