Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2015-03-12
ECLI:NL:GHAMS:2015:919
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,283 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 14/00177
12 maart 2015
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Amstelveen, de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk ALK 12/2430 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 13 maart 2014 in het geding tussen
[X]
te [Z], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2012 aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing ad € 211,50 opgelegd, gedagtekend 31 juli 2012, ter zake van de woning [a-straat 1]te [P 1].
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 14 september 2012, het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Bij uitspraak van 13 maart 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en – naar het Hof verstaat – de aanslag vernietigd.
1.4.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 maart 2014, aangevuld bij brief van 24 april 2014. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
2.1.1
De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende als eiseres wordt aangeduid en de heffingsambtenaar als verweerder, de volgende feiten opgenomen.
“1.1 Eiseres is eigenaresse van de woning [a-straat 1]te[P 1] (hierna: de woning), een appartement dat deel uitmaakt van een appartementengebouw. Zij woont elders.”
2.1.2.
Nu partijen daartegen geen bezwaren hebben geuit, gaat het Hof ook van die feiten uit.
2.2.
Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe, welke het deels ontleent aan hetgeen in hoger beroep door belanghebbende ter zitting (onweersproken door de heffingsambtenaar) is verklaard en voor het overige aan de in beroep ingebrachte stukken.
2.3.
Belanghebbende, enig kind, heeft de woning in de jaren ’80 gekocht en (naar het Hof begrijpt) aanvankelijk, tot 1996, verhuurd. Nadien, in 1996, is de woning ingericht voor bewoning door de vader van belanghebbende, met diens meubels. De vader van belanghebbende is overleden voordat hij de woning kon betrekken. Vanaf 1996 is de aldus gemeubileerde woning niet meer betreden, behoudens één keer dat er een kast in de woning is geplaatst. Vanaf 1996 zijn de nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) afgesloten. De bevolkingsadministratie van de gemeente [P 1] vermeldt vanaf 4 juli 1996 geen inschrijvingen meer op het adres van de woning.
2.4.
Belanghebbende betaalt jaarlijks de door de leden van de Vereniging van Eigenaren van het appartementengebouw verschuldigde bijdrage.
Geschil
Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of aan belanghebbende voor het jaar 2012 terecht een aanslag afvalstoffenheffing ter zake van de woning is opgelegd.
Overwegingen
4.1.
De rechtbank heeft omtrent het geschil in haar uitspraak als volgt overwogen:
“3.3.1. (…) Artikel 3 van de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2012 gemeente Amstelveen luidt als volgt:
“1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:
a. degenen die naar de omstandigheden beoordeelt al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel;
(…)”
Artikel 10.21 van de Wet Milieubeheer luidt als volgt:
“1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.”
Artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer luidt als volgt:
“1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.”
3.3.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 januari 1984 (LJN: AW8678, Hoge Raad, 22 119) overwogen dat feitelijk gebruik ook ziet op andere vormen van gebruik dan bewoning. De enkele omstandigheid dat de woning niet bewoond is kan er niet toe leiden dat de belanghebbende niet als feitelijke gebruiker van de woning kan worden aangemerkt. Uit dat arrest volgt eveneens dat niet van belang is of met het feitelijke gebruik van de woning daadwerkelijk (en geregeld) afvalstoffen worden aangeboden, maar of er afvalstoffen kunnen ontstaan. Het Hof Amsterdam heeft in de uitspraak van 14 april 2006 (ECLI:NL:GHAMS:2006:AW8513) geoordeeld dat in de daar te beoordelen situatie afvalstoffen konden ontstaan, aangezien vaststond dat er sprake was van tuinonderhoud, terwijl van algemene bekendheid is dat bij tuinonderhoud afval ontstaat. Op grond van artikel 10.21 van de Wet Milieubeheer geldt voor een zodanig perceel een gemeentelijke verplichting tot inzameling van die afvalstoffen. Ter bestrijding van de kosten van die inzameling kan de gebruiker van dat perceel in de afvalstoffenheffing worden betrokken.
3.3.3.
Per 1 januari 2012 is in artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer “feitelijk gebruik maken” gewijzigd in “gebruik maken”. Blijkens de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2009/2010, 32 479 nr.3, p.1-3) is de reden van die wijziging het mogelijk te maken om in geval van kamerverhuur de verhuurder als belastingplichtige aan te merken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat bedoeld is het begrip gebruik ook anderszins te wijzigen. De rechtbank ziet in deze wijziging dan ook geen grond om af te wijken van voornoemde jurisprudentie.
3.3.4.
Vast staat dat de woning niet bewoond wordt. Onvoldoende betwist is dat er geen aansluitingen zijn op water, gas en licht en dat er al enkele jaren niemand meer in de woning is geweest. Gelet op deze specifieke feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval in de periode in geding geen sprake is geweest van een zodanig gebruik van de woning dat afvalstoffen kunnen ontstaan. Hieruit vloeit voort dat, wat de afvalstoffenheffing betreft, geen sprake is van gebruik van de woning van eiseres met als gevolg dat verweerder ten onrechte een aanslag afvalstoffenheffing heeft opgelegd over het jaar 2012. De enkele omstandigheid dat eiseres de woning voor eigen gebruik zou aanhouden maakt dit niet anders.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in de artikelen 7:11 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en beslissen op het door eiseres ingediende bezwaar tegen de beschikking van 31 juli 2012. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de rechtbank het bezwaar gegrond verklaren en de beschikking van 31 juli 2012 herroepen.”
4.2.
Het Hof deelt het oordeel van de rechtbank (onder 3.3.4 van haar uitspraak) niet en overweegt daartoe als volgt.
4.3.1.
Gelet op de toepasselijke regelgeving als vermeld in de uitspraak van de rechtbank onder 3.3.1, waarvan ook het Hof zal uitgaan, is in hoger beroep – eveneens – primair in geschil of in casu sprake is van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, althans op de vraag of ter zake van de woning huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan (vgl. artikel 10.21 lid 1 Wet milieubeheer).
4.3.2.
De heffingsambtenaar heeft zich in hoger beroep (opnieuw) op het standpunt gesteld dat de woning heeft te gelden als een perceel waaruit afvalstoffen kunnen ontstaan.
Belanghebbende heeft haar stellingen, dat ter zake van de woning geen afvalstoffen kunnen ontstaan omdat deze niet wordt gebruikt en de nutsvoorzieningen zijn afgesloten, herhaald en zich (ook overigens) aangesloten bij het oordeel van de rechtbank.
4.4.
Het Hof overweegt dat voorop staat dat niet van belang is of ter zake van de woning daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan (vgl. Hoge Raad 30 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1838, BNB 2001/303).
Voor zover belanghebbende zich op een ander standpunt heeft gesteld, is dat dus rechtens onjuist.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een perceel waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan is ingevolge het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad beslissend of gedurende het gehele jaar sprake is van een woning die objectief bezien geschikt is voor bewoning. Gelet op de in 2.3 vastgestelde omstandigheden staat vast dat de onderhavige woning was ingericht met de meubels van (oorspronkelijk) de vader van belanghebbende en dat daar te eniger tijd een kast is bijgeplaatst. Mitsdien moet naar het oordeel van het Hof worden aangenomen dat de woning in 2012 objectief bezien voor bewoning geschikt was. Dat deze in dat jaar feitelijk niet voor woondoeleinden in gebruik was en dat de nutsvoorzieningen waren afgesloten, staat aan de objectieve geschiktheid voor bewoning en de daaraan verbonden mogelijkheid dat (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen konden ontstaan, niet in de weg.
4.5.
Ter beantwoording van de vraag of belanghebbende als belastingplichtige in de heffing kan worden betrokken, dient beoordeeld te worden of zij als gebruiker van de woning kan worden aangemerkt. Het Hof sluit zich te dezen aan bij de overwegingen van de rechtbank onder 3.3.2 en 3.3.3 van haar uitspraak. Zoals de Hoge Raad in het hiervoor vermelde, alsmede in zijn door de rechtbank genoemde arrest van 25 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8678, BNB 1984/113, heeft overwogen, is ‘gebruik’ in dit verband niet beperkt tot gebruik als woonruimte. Ook andere vormen van gebruik kunnen leiden tot belastingplicht.
Conclusie
4.8.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is, dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en dat het beroep ongegrond is.
5Kosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Dictum
Het Hof
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en
- verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door mr. E.F. Faase, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 12 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.