Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2013-03-25
ECLI:NL:GHAMS:2013:3133
Civiel recht
arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer: 200.002.738/01 zaaknummer rechtbank 341212/HA ZA 06-1250 (Amsterdam) arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 maart 2013 (bij vervroeging) inzake [APPELLANT], wonend te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. E.M. Lieuw On te Amsterdam, t e g e n [GEÏNTIMEERDE], zonder vaste woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof heeft op 10 januari 2012 een (derde) tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest. Vervolgens heeft [appellant] een akte uitlaten na tussenarrest genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoordakte uitlaten na tussenarrest heeft genomen. Ten slotte hebben partijen wederom gevraagd arrest te wijzen. 2. De verdere beoordeling in hoger beroep 2.1. Bij het laatste tussenarrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld de onherroepelijke resultaten van de in artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken bedoelde begroting van zijn salaris door de Raad van Toezicht bij akte in het geding te brengen. Daarbij is [appellant] een termijn van (ruim) één jaar gegund. 2.2. Uit de bij zijn na voormeld tussenarrest genomen akte overgelegde correspondentie met de Raad van Toezicht blijkt dat [appellant] het begrotingsverzoek pas op 14 januari 2013 heeft gedaan, volgens hem omdat hij het originele dossier destijds aan de opvolgend advocaat van [geïntimeerde] heeft moeten overdragen en relevante delen van het schaduwdossier in het ongerede zijn geraakt. Hoewel het hof - met [geïntimeerde] in diens antwoordakte - van oordeel is dat voormelde stelling van [appellant] rijkelijk vaag is, zal het hof daaraan, anders dan [geïntimeerde] wenst, niet de consequenties verbinden [appellant] niet meer de gelegenheid te bieden de in 2.1 bedoelde gegevens in het geding te brengen, maar de zaak (wederom met een ruime termijn) naar de rol verwijzen opdat [appellant] deze gegevens alsnog overlegt. 2.3. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 24 september 2013 voor het nemen van een akte door [appellant] met het doel als bedoeld onder 2.2, waarna [geïntimeerde] daarop zal mogen reageren; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en J.W. Hoekzema, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2013 door de rolraadsheer.