Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2001-02-28
ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0583
Bestuursrecht
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X U.A. te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst te P, hierna de inspecteur, gedagtekend 13 december 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997. Het beroep is behandeld ter zitting van 14 februari 2001. Het Hof verklaart het beroep ongegrond. Gronden 1.1. De naheffingsaanslag is opgelegd aan belanghebbende. In bezwaar en beroep hield partijen onder meer verdeeld het antwoord op de vraag of de tenaamstelling van de naheffingsaanslag juist is. Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 27 maart 2000, na indiening van het beroepschrift, te kennen gegeven dat zij het geschil omtrent de tenaamstelling heeft laten varen en dat er te dien aanzien derhalve tussen partijen geen verschil van mening meer bestaat. Het Hof zal hiervan uitgaan. 1.2. Stichting Y (hierna: de stichting) is verbonden aan belanghebbende. De stichting doet uitkeringen en verstrekkingen aan werknemers en oud-werknemers van belanghebbende. Eén van die verstrekkingen betreft het ter beschikking stellen van vakantiehuisjes tegen een (geringe) eigen bijdrage van de werknemers die van de verstrekking gebruik maken. 1.3. De stichting huurt, voor een langere periode van 6 á 8 maanden per jaar, vakantiehuisjes bij verschillende parken in Nederland om deze vervolgens aan het personeel ter beschikking te kunnen stellen. Het personeel kan door inschrijving voor een bepaald huisje, in een bepaalde week, gebruik maken van de personeels-voorziening. 1.4. Bij brief van 4 maart 1999 heeft de gemachtigde namens belanghebbende en de stichting de inspecteur te kennen gegeven dat de stichting uitkeringen en verstrekkingen heeft gedaan waarover ten onrechte geen loonbelasting en premie volksverzekeringen zijn ingehouden en afgedragen. Bij die gelegenheid verzocht belanghebbende de inspecteur een naheffingsaanslag op te leggen conform een door haar voorgestelde berekeningswijze. Met dagtekening 1 juli 1999 heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en is daarbij afgeweken van de door belanghebbende voorgestelde berekeningswijze van de naheffingsaanslag. 2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen: Dient de verstrekking van de onderhavige personeelsvoorziening te worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, hetgeen de inspecteur voorstaat, of dient de waardering plaats te vinden met inachtneming van de in artikel 16c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: UR) vastgestelde forfaitaire waarderingsregel, hetgeen belanghebbende bepleit? Zo het Hof van oordeel is dat de door belanghebbende bepleite waarderingsregel niet van toepassing is, dient dan de verstrekking van de personeelsvoorziening te geschieden met inachtneming van de in artikel 11, eerste lid, UR vastgestelde waarderingsregel? Is er sprake van een ongelijke behandeling tussen personeelsvoorzieningen welke met toepassing van artikel 16c UR kunnen worden gewaardeerd en personeelsvoorzieningen als de onderhavige die zonder toepassing van de voornoemde forfaitaire waarderingsregels moeten worden gewaardeerd? 3.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) wordt niet in geld genoten loon in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voor zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. Blijkens het tweede lid van voornoemd artikel kunnen met betrekking tot de waardering van aanspraken en ander niet in geld genoten loon bij ministeriële regelgeving nadere regels worden gesteld. Daarbij kan, indien zulks de uitvoering van de wet bevordert, zonodig in afwijking van de hiervoor genoemde waarderingsregel, de waarde worden gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. Met de invoering van artikel 16c UR is uitvoering gegeven aan de in het hiervoor genoemde artikel 13, tweede lid van de Wet opgenomen bevoegdheid nadere regels te stellen. In artikel 16c UR is een waarderingregel opgenomen voor aan de werknemer verstrekte personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen. 3.2. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekking van de vakantiehuisjes niet kan worden gewaardeerd met behulp van artikel 16c UR. De inspecteur baseert zich daarbij onder meer op de stelling dat het bij de in artikel 16c UR opgenomen waarderingsregel gaat om de verstrekking van voorzieningen aan personeel welke in gezamenlijkheid door de werknemers worden genoten (tegelijker-tijd en op dezelfde plaats) en dat de litigieuze personeelsvoorziening een dergelijk karakter ontbeert. Belanghebbende heeft zich te dien aanzien op het standpunt gesteld dat noch uit de tekst van artikel 16c UR noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het door de inspecteur gestelde vereiste van gezamenlijkheid als voorwaarde moet worden gesteld voor de toepassing van de in artikel 16c UR opgenomen waarderingsregel. 3.3. Het Hof oordeelt als volgt over deze vraag. Opgevat naar normaal spraakgebruik wordt met de in artikel 16c UR gebezigde bewoordingen "personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen" gedoeld op activiteiten waarbij de deelnemers hun tijd veelal niet naar vrije keuze kunnen indelen doch gebonden zijn aan een door de werkgever opgestelde programma waarbij zij worden omring door hun collega's en (eventueel) hun partners. Ook uit de door de ministeriële regelgever gegeven toelichting volgt dat deze het oog heeft gehad op reizen, festiviteiten en dergelijke evenementen waaraan door het personeel in gezamenlijk verband wordt deelgenomen. Dit vereiste van gezamenlijkheid komt mede tot uitdrukking in de eis dat deelname aan de in artikel 16c UR bedoelde voorzieningen open moet staan voor ten minste driekwart van de werknemers, casu quo voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid. Gelet op het vorenoverwogene kan een personeelsvoorziening als de onderhavige, welke individuele werknemers in de gelegenheid stelt een zekere tijd in een recreatiewoning te verblijven, niet worden gerekend tot de in artikel 16c UR bedoelde personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen", zodat de waarderingsregel van artikel 16c UR geen toepassing kan vinden. 3.4. Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, zo de waarderingsregel van artikel 16c UR in het onderhavige geval toepassing mist, een in de UR opgenomen forfaitaire waarderingsregel voorgaat op de in artikel 13, eerste lid, van de Wet opgenomen waarderingsregel. Naar de mening van belanghebbende kan de verstrekking van vakantiehuisjes gewaardeerd worden aan de hand van de in artikel 11, eerste lid, UR vastgestelde waarderingsregel voor inwoning, en zij gaat er daarbij van uit dat de waarde van inwoning bepaald kan worden op het verschil tussen het dagforfait voor kost en inwoning en het dagforfait voor volle kost. Naar de inspecteur stelt mist de in artikel 11, eerste lid, UR vastgestelde waarderingsregel toepassing aangezien een vakantiehuisje geen kost en inwoning biedt, maar een volledig zelfstandige, tijdelijke woonruimte. Voorts, zo stelt de inspecteur, noemt de onderwerpelijke waarderingsregel het zelfstandige begrip inwoning niet, en bieden noch de jurisprudentie noch de literatuur aanknopingspunten voor de door belanghebbende voorgestane benadering van de waardering van aan haar personeel verstrekte vakantiehuisjes. 3.5. Het Hof oordeelt als volgt over deze tweede vraag. De onderhavige personeelsvoorziening, die ertoe strekt dat individuele werknemers in de gelegenheid worden gesteld een zekere tijd in een door de stichting gehuurde recreatiewoning kunnen verblijven, kan niet worden aangemerkt als, en evenmin op één lijn worden gesteld, met het verschaffen door de werkgever van inwoning. De waarderingsregel van artikel 11, eerste lid, UR, is dan ook niet van toepassing. 3.6. Ook bij de derde vraag kan het Hof zich niet vinden in de stelling van belanghebbende.