Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-08-24
ECLI:NL:GHAMS:1999:AN7407
DE TARIEFCOMMISSIE Uitspraak in de zaak nr. 0003/98 TC de dato 24 augustus 1999 1. De procedure 1.1. Op 7 januari 1998 is een beroepschrift ingekomen van mr. A,van B, belastingadviseurs te C, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. te X, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict P (hierna: de inspecteur) van 18 december 1997, kenmerk xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de indeling in het Tarief van invoerrechten (GDT) werd afgewezen. 1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 12 januari 1999. Daar zijn namens belanghebbende verschenen mr. A voornoemd, mr. R en mr. S, advocaat van belanghebbendes leverancier, Y. Ltd. in Z; namens de inspecteur is verschenen mr. Q. 1.3. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota van de inspecteur is voorzien van twee bijlagen, te weten een exemplaar van een door het Douanedistrict O afgegeven bindende tariefinlichting (BTI), alsmede een afschrift van een op 5 oktober 1998 voor de Arrondissementsrechtbank te O opgenomen proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor van K, declarant van L , en van U, douaneambtenaar van het douanedistrict P. 2. De vaststaande feiten 2.1. L heeft via haar entrepot type C-bac, in opdracht van belanghebbende, vanaf 1995 op koosjere wijze geslacht en bevroren kalkoenvlees, zonder been, van oorsprong en van herkomst uit Z, ingevoerd. De aangegeven tariefpost was steeds post 1602 31 11 van het GDT; voor deze post gold voor de periode oktober 1995 tot en met juni 1996 een douanerecht van 15,6% en over de periode juli 1996 tot en met februari 1997 een recht van 14,2%; totaal heeft belanghebbende over voornoemde periode een bedrag van f 2.589.264,10 aan douanerechten betaald. 2.2. Op 15 augustus 1995 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om een achttal BTI's voor koosjer bereid en gezouten kalkoenvlees, niet gekookt en niet gebakken; zij verzocht indeling onder post 1602 31 11 van het GDT. Tot de gedingstukken behoort een bij voornoemde aanvraag gevoegde verklaring inzake de beschrijving van het proces van het koosjer slachten. Onder punt 5 vermeldt deze verklaring het navolgende: "5. Nadat uiteindelijk de ingewanden verwijderd zijn wordt de kalkoen in een tank met een zoutmassa op lichaamstemperatuur van de kalkoen ondergedompeld gedurende één uur. Hierdoor wordt het vlees gereinigd van alle bloedresten, haarvaatjes, bacteriën, etc. Door deze bewerking/veredeling van het kalkoenvlees wordt een hoogwaardig gezouten vleesproduct bereid." In de kopie waarover de Tariefcommissie beschikt is na het woord "zoutmassa" met de pen de tekst "en gemengd met kruiden" toegevoegd, waarbij in de kantlijn een paraaf is geplaatst met de woorden "gebeld d.d. 11/10/95". 2.3. Tot de gedingstukken behoort eveneens een door V en W, ambtenaren van de Belastingdienst, douanedistrict O, op ambtseed afgelegde verklaring; hierin is onder meer het volgende vermeld: "De verzoeken werden mondeling besproken met (...) de rechthebbende. De rechthebbende stelde de indeling in hoofdstuk 16 van de douanenomenclatuur voor. Door ons is meegedeeld dat voor indeling in dit hoofdstuk het vlees voldoende gekruid dient te zijn. Volgens de rechthebbende zou dit het geval zijn bij de koosjere slachtwijze. Hierop is de rechthebbende verzocht een beschrijving van het slachtproces toe te zenden ter aanvulling van de verzoeken. Hierna werd een beschrijving aan het Douanedistrict gezonden, opgemaakt te X en gedateerd 14 augustus 1995 en ondertekend door de rechthebbende. Uit deze beschrijving van het slachtproces bleek niet dat het kalkoenvlees gekruid was. Hierop is door tweede relatant op 11 oktober 1995 met de rechthebbende telefonisch contact gezoch Op 4 oktober 1995 zijn wij wederom bij het douanedistrict te O geweest; ons is toegezegd dat de BTI's zouden worden afgegeven en dat de goederen onder tariefpost 1602 konden worden ingedeeld. b. een door TNO Voeding, Afdeling Diervoeding en Vleestechnologie, te Zeist opgemaakt rapport met betrekking tot een onderzoek naar de kenmerkende verschillen van kalkoenvlees van koosjere en niet-koosjere herkomst. Een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek, gedagtekend 30 juni 1997, luidt, voor zover van belang, als volgt: "- verschil in keukenzoutgehalte en natriumgehalte (factor 2 tot 4 hoger in koosjere variant); - verlaagd water oplosbaar eiwitgehalte in monsters koosjer kalkoenvlees (3 tot 10% lager in koosjer vlees indien betrokken op totaal eiwit); - het percentage restbloed in de monsters van koosjere herkomst is in relatieve zin 23 tot 30% lager dan in de monsters kalkoenvlees van niet-koosjere herkomst; - er zijn aanwijzingen dat er histologisch op microscopisch niveau structuurverschillen bestaan tussen de onderzochte monsters koosjer en niet-koosjer kalkoenvlees; het blijft echter onduidelijk of deze verschillen zijn veroorzaakt door het koosjere slachtproces als zodanig dan wel het gevolg zijn geweest van verschillen in de (in)vriesbehandelingen die het vlees heeft ondergaan." 2.6. De FIOD heeft in de administratie van D BTI's aangetroffen, waarop wijzigingen waren aangebracht; deze bestonden volgens de sub 1.3. door de inspecteur overgelegde bijlage bij de pleitnota uit een wijziging van de woorden "gezouten en gekruid" in "gezouten of gekruid". 2.7. In de sub 1.3. door de inspecteur overgelegde bijlage is door K van L de navolgende verklaring afgelegd: "Op de aangiften vermelden wij de tariefcode op basis van de mededeling van M, de informatie uit het gezondheidscertificaat, de facturen, de paklijst en het oorsprongcertificaat. De facturen, het gezondheidscertificaat en het door de Z-se autoriteiten afgegeven oorsprongcertificaat komen alle uit Z; op die documen-ten staat al "16023111" vermeld. Die documenten krijg ik van D." 2.8. Naar aanleiding van de vorenvermelde onderzoeken, processen-verbaal van verhoor en de verklaring sub 2.6. heeft de inspecteur, in afwijking van de sub 2.1. aangegeven tariefpost, de ingevoerde kalkoenproducten alsnog ingedeeld onder post 0207 27 10 van het GDT en belanghebbende mede-aansprakelijk gesteld. 2.9.Deze correctie van de indeling der goederen in het GDT leidde tot de uitnodiging tot betaling van 20 maart nr. 719/50091, waarbij als volgt landbouwheffing werd nagevorderd met verrekening van de betaalde douanerechten: "Tijdens de controle is geconstateerd dat er bij de invoer van kalkoenvlees met betrekking tot de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur gebruik is gemaakt van een onjuiste goederencode. Op grond van artikel 201, juncto de artikelen 220 en 221 Verordening (EEG) nr. 2913/92 hierna: het CDW) en artikel 54 van het Douanebesluit vorder ik de hierna vermelde rechten bij u na. De berekening van de verschuldigde rechten bij invoer luidt als volgt: (zie bijlagen) Landbouwheffing f 9.700.081,10 Reeds voldaan f 2.589.264,10 Nog te voldoen f 7.110.817,00 ". 3. Het geschil 3.1. In geschil is primair of de sub 2.1. omschreven goederen dienen te worden ingedeeld onder post 0207 27 10 van het GDT, zoals de inspecteur voorstaat, dan wel onder post 1602 31 11, hetgeen belanghebbende bepleit. Genoemde posten luiden als volgt: post 0207 27 10 "0207 Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee (bedoeld bij post 0105), vers, gekoeld of bevroren: - van kalkoenen: 0207 27 - - delen en slachtafvallen, bevroren: - - - delen: 0207 27 10 - - - - zonder been (...)"; post 1602 31 11 "1602 Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen---------- of van bloed: (...) - van pluimvee bedoeld bij post 0105: 1602 31 - - van kalkoenen: - - - 57 of meer ge-wichtper-centen vlees of slacht- afval--len bevat-- tend-- (3): 1602 31 11 - - - - uitsluitend niet-gekoo Belanghebbende is ten onrechte als schuldenaar aangemerkt. 4.4. De inspecteur heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de periode voor en na 1 juni 1996, de datum van inwerking treding van de Douanewet. Artikel LV van de Invoeringswet Douane moet aldus worden uitgelegd dat de Douanewet slechts van toepassing is op de periode vanaf 1 juni 1996. Het in de uitnodiging tot betaling vervatte bedrag dient daarom te worden teruggebracht tot een bedrag van f 3.482.564,40. 5. Het standpunt van de inspecteur 5.1. Geslachte dieren, c.q. vers vlees wordt ingedeeld in hoofdstuk 2. Daarbij maakt het niet uit hoe de dieren geslacht zijn; het feit dat het vlees nog in een zoutbad ondergedompeld wordt is geen handeling die tariefverspringing rechtvaardigt. Bij het koosjere slachten wordt het vlees zodanig behandeld dat het zo veel mogelijk de verse staat benadert. Ook uit het TNO onderzoek blijkt dat er geen significante verschillen zijn tussen vers vlees en koosjer geslacht vlees. Uit de GS-Toelichtingen op hoofdstuk 2 en 16 blijkt dat het enkel zouten een onvoldoende bereiding is om te komen tot een indeling onder hoofdstuk 16; daarvoor moet meer gebeuren, zoals bijvoorbeeld kruiden. 5.2. Belanghebbende is importeur en heeft telkens de voor de aangifte benodigde stukken geleverd. Daarbij heeft zij L uitdrukkelijk opdracht gegeven het kalkoenvlees in te voeren onder post 1602, zoals ook blijkt uit de door L en de ambtenaar voor de Arrondissementsrechtbank te O afgelegde getuigenverklaringen. Belanghebbende had blijkbaar twijfels over de indeling van de goederen en heeft daarom bij het douanedistrict O BTI's aangevraagd. Op de door deze instantie afgegeven BTI's staat evenwel dat er sprake moet zijn van "gezouten en gekruid" vlees. Bij het FIOD-onderzoek is aan het licht gekomen dat D de BTI's heeft vervalst door van het woordje "en" "of" te maken. Dit falsificaat is door D gebruikt om haar Z-se moedermaatschappij ervan te overtuigen dat zij de juiste papieren voor invoer van kalkoenvlees onder hoofdstuk 16 in haar bezit had. Hiermee staat vast dat belanghebbende wist of redelijkerwijze had kunnen weten dat het kalkoenvlees in post 0207 diende te worden ingedeeld. Belanghebbende is daarmee schuldenaar op basis van artikel 201, derde lid, laatste volzin van het CDW. 5.3. Voor 1 juni 1996 vloeit de aansprakelijkheid van belanghebbende direct voort uit de Wet inzake de douane, terwijl thans de bevoegdheid de aansprakelijkheid uit te breiden tot diegene die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens verstrekt, wordt gegeven door het CDW. De delegatiebepaling die de uitbreiding van de aansprakelijkheid regelt is gegrond op artikel 58 van de Douanewet. Hierbij wordt opgemerkt dat de Grondwet geen inbreuk kan maken op een verdragsbepaling. 6. De rechtsoverwegingen 6.1. De indeling in het GDT Uitgaande van het beschreven productieproces en de diverse verklaringen op dit punt kan als vaststaand worden aangenomen dat de ingevoerde goederen niet gekruid, doch slechts gezouten zijn. Op grond daarvan moet worden geoordeeld dat de goederen geen bereiding hebben ondergaan, die indeling onder post 1602 van het GDT rechtvaardigt. De goederen voldoen aan de bewoordingen van post 0207 27 10 van het GDT en dienen derhalve onder die post te worden ingedeeld. 6.2. De navordering als gevolg van de wijziging in het GDT. De BTI's zijn mede tot stand gekomen door nadere verklaringen van de zijde van de ontbieder van de goederen. Door de afgifte van deze BTI's hebben de ambtenaren, in beginsel afgaande op die verklaringen, niet het vertrouwen gewekt dat ook het vlees, waar de onderhavige maandaangiften op zien - zonder voorbehoud en ongeacht het karakter van het vlees - in de post van die BTI's zou worden ingedeeld. De ambtenaren hebben geen vergissing begaan, en het stond hen vrij om - na het sub 2 omschreven warenonderzoek - de posten van de maandaangiften te wijzigen. 6.3. De mede-aansprakelijkheid 6.3.1. De bevoegdheid tot de heffing van