Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-08-26
ECLI:NL:GHAMS:1999:AN4772
DE TARIEFCOMMISSIE Uitspraak in de zaak nr. 0217/97 TC de dato 26 augustus 1999 1. De procedure 1.1. Op 21 november 1997 is een beroepschrift ingekomen van mr. S te A, ingediend namens X te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (de inspecteur) van 20 oktober 1997, nummer .., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de heffing van douanerechten over de maand juli 1997 is afgewezen. 1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 20 oktober 1998. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr. P en K en namens de inspecteur mr. B. De gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. 2. De vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende houdt zich bezig met de invoer en doorverkoop van producten, van oorsprong uit de Verenigde Staten, die worden gebruikt voor het doen van meetkundige verrichtingen in het kader van "research and development", zoals optische meetinstrumenten, optische tafels, lenzen en lenzenhouders. Afnemers plaatsen hun orders bij belanghebbende, die daarop de goederen bij het distributiecentrum in de Verenigde Staten bestelt. Vervolgens worden de goederen naar Nederland getransporteerd en alhier opgeslagen in een door belanghebbende beheerd douane-entrepot. Aan belanghebbende is daarvoor een vergunning C-Bac verleend. Het product wordt aan de klant verkocht, waarna het wordt uitgeslagen en in het vrije verkeer gebracht. Belanghebbende doet aangifte ten invoer volgens de vereenvoudigde procedure. Daarbij wordt de uitslag van goederen in de administratie verwerkt door wijziging van de voorraadlijst. De vrachtbrief en de factuur worden in de administratie opgenomen. Eenmaal per maand wordt aan de belastingdienst een aanvullende aangifte gedaan, waarbij een lijst van de uitslagen, de voorraadlijst en een verslag van het verloop van de voorraad worden gevoegd. 2.2. Op 6 augustus 1997 heeft belanghebbende onder nummer 00..... M 0797 een "opgaaf belasting bij invoer" gedaan over de in de maand juli 1997 uit het douane-entrepot uitgeslagen en in het vrije verkeer gebrachte goederen. Belanghebbende diende volgens de opgaaf in totaal f 39.992,60 aan douanerechten af te dragen. 2.3. Bij het op 9 september 1997 ingediende bezwaar tegen de sub 2.2. genoemde afdracht heeft belanghebbende verzocht om vermindering van genoemd bedrag met f 8.202,49, welk bedrag, zoals uit de administratie en de verzamelaangifte over die maand volgde, betrekking had op verscheidene hoeveelheden goederen ten aanzien waarvan de douanerechten bij invoer in het vrije verkeer per hoeveelheid minder dan 10 ECU bedroegen. 2.4. Tot de gedingstukken behoort een brief van mr. H. van de directie douane Rotterdam van 17 juli 1997, die luidt als volgt: "Per 1 juni 1996 is de Nederlandse douanewetgeving herzien. Hierbij werd onder meer voorzien in een regeling dat boeking van rechten bij invoer achterwege blijft indien het totaal verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan 10 ECU. Deze regeling opgenomen in artikel 57 van het Douanebesluit heeft betrekking op douanerechten (als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Douanewet) en heffingen van gelijke werking, die bij invoer van goederen van toepassing zijn alsmede op landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen voor bepaalde goederen verkregen door bewerking van landbouwgoederen. De regeling heeft geen betrekking op nationale Nederlandse belastingen als omzetbelasting bij invoer en accijnzen. De regeling moet worden toegepast per artikel van een schriftelijke of electronische aangifte tot het brengen in het vrije verkeer. Tot mijn spijt heb ik onlangs moeten constateren dat het geautomatiseerde systeem, waarin de hiervoo Uit de bewoordingen van dit artikel noch uit de achterliggende gedachte is af te leiden dat aangevers die volgens de vereenvoudige aangifteprocedure aangifte ten invoer doen, geen gebruik van genoemde bepaling zouden kunnen maken; dit geldt te meer nu zowel de normale aangifteprocedure als de vereenvoudige procedure op Europees niveau zijn geregeld. Daarom wordt aan de Tariefcommissie verzocht aan het Hof van Justitie over de uitleg van voormeld artikel prejudiciële vragen te stellen. 5. Het standpunt van de inspecteur 5.1. Uit de artikelen 62, 63 en 76 CDW, in onderlinge samenhang beschouwd, volgt dat de douaneschuld ontstaat op het moment van inschrijving van de goederen in de administratie van belanghebbende; elke individuele inschrijving doet een afzonderlijke douaneschuld ontstaan. Belanghebbende doet aangifte volgens de vereenvoudigde procedure, waarbij met toepassing van artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW alle bedragen met betrekking tot al de goederen, die tijdens een vastgestelde periode van ten hoogste 31 dagen worden vrijgegeven, in één keer als één totaalbedrag worden geboekt. Aangezien het totaalbedrag boven de 10 ECU uitkomt, mist artikel 57 DB, de nadere nationale uitwerking van artikel 868 UCDW, toepassing. Dit standpunt is ook neergelegd in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 3 september 1997, nummer WD.97/726 M. 5.2. Belanghebbende gaat eraan voorbij dat bij gebruikmaking van de vereenvoudigde procedure het doen van aangiften in vergaande mate wordt versoepeld, zodat onder meer de perceptiekosten van belanghebbende worden gedrukt. Met name is belanghebbende ontheven van de verplichting om goederen bij het douanekantoor aan te brengen. De vereenvoudigde procedure wijkt ook in juridische zin af van de gewone aangifte ten invoer; bij artikel 226, onderdeel c, CDW wordt een specifieke vorm van uitstel tot betaling geboden voor het totaal van de bedragen, die op grond van artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW in één keer worden geboekt. De sub 2.4. vermelde brief van de directie Douane te Rotterdam heeft alleen betrekking op electronische aangiften via het Sagitta-systeem. Op grond van het voorgaande acht de inspecteur geen gelijke gevallen aanwezig. 5.3. De Europeesrechtelijke bepaling van artikel 868 UCDW is duidelijk; een verschil in inzicht bestaat tussen partijen over uitleg van de nationale bepaling van artikel 57 DB. Over die regeling kunnen geen prejudiciële vragen worden gesteld. 6. De rechtsoverwegingen 6.1. De boeking. 6.1.1. Op grond van de eerste volzin van artikel 868 UCDW kunnen de Lid-Staten bepalen dat bedragen beneden de 10 ECU niet worden geboekt. Deze bepaling is nader uitgewerkt in artikel 57 DB, waarin is bepaald dat de boeking van rechten bij invoer achterwege blijft indien het totaal verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan 10 ECU. 6.1.2. De aangifte ten invoer in het vrije verkeer volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, letter c, CDW vindt plaats door de uitslag van de goederen in de administratie in te schrijven en maandelijks bij de douaneambtenaren een aanvullende aangifte in te dienen. Op grond van artikel 76, lid 3, CDW worden de inschrijvingen en de aanvullende aangifte als één enkele en ondeelbare akte aangemerkt, welke geldig is vanaf de datum van de inschrijvingen in de administratie. Van boeking kan in het geval van de onderhavige vereenvoudigde procedure pas sprake zijn nadat de ambtenaren - na ontvangst van de aanvullende aangifte - van de diverse inschrijvingen hebben kennisgenomen. Uit de systematiek van de vereenvoudigde aangifte vloeit voort dat niet elke op de aanvullende aangifte voorkomende inschrijving afzonderlijk wordt geboekt, doch dat één boeking van alle inschrijvingen tezamen plaatsvindt. Deze wijze van boeken is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW. 6.1.3. Indien vorenomschreven verzameling van bedragen over een vaste periode ertoe leidt dat het totaal verschuldigde bedrag meer