Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-05-26
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8172
98/4305 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 28 september 1998, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 27 augustus 1998, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1993. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 151.027. Op een bedrag van ¦ 101.991 is het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1993; hierna: de Wet) toegepast. De aanslag is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 37.827. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Ter zitting van 14 april 1999 zijn verschenen belang-hebbende en de inspecteur. De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota aangeboden. De belanghebbende heeft er kennis van genomen en er zich tijdens de zitting over uitgelaten. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is van beroep belastingadviseur. Sedert 1991 oefent hij zijn beroep uit in maatschapsverband. Samen met twee accountants, waaronder een broer van belanghebbende, vormde hij de maatschap A. 2.2. In 1993 treedt de heer B toe tot de maatschap. In verband hiermee draagt belanghebbende op 31 maart 1993 een vierde gedeelte van zijn aandeel in de maatschap A over aan A Beheer BV. Belanghebbende houdt 50% van de aandelen in A Beheer BV. De andere 50% van de aandelen wordt op dat moment gehouden door zijn broer. Belanghebbende bedingt ter zake van de overdracht van een vierde deel van zijn onderneming aan A Beheer BV een lijfrente ter grootte van de belaste stakingswinst. 2.3. A Beheer BV heeft bij voormelde overdracht de verplichting op zich genomen om het door belanghebbende overgedragen gedeelte van de onderneming op haar beurt over te dragen aan de heer B. Aan deze verplichting is door A Beheer BV op 31 maart 1993 ook uitvoering gegeven. 2.4. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ¦ 24.527. In verband met de van A Beheer BV bedongen lijfrente heeft belanghebbende in zijn aangiftebiljet ¦ 126.500 als persoonlijke verplichting in mindering op zijn inkomen gebracht. Hij beroept zich hiervoor op artikel 45, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, sub 2, van de Wet. In een schrijven van 31 oktober 1996 aan de inspecteur geeft belanghebbende aan dat de aftrek van de lijfrentepremie beperkt dient te blijven tot het bedrag van de belaste stakingswinst ad ¦ 113.200. Het belastbare inkomen bedraagt daardoor ¦ 37.827. 2.5. De inspecteur weigert de aftrek van de lijfrente-premie en verhoogt het aangegeven belastbare bedrag met ¦ 113.200. Op een bedrag van ¦ 101.991 (in verband met de aanhef van het eerste lid van artikel 57 van de Wet) past de inspecteur het hoge bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, toe. 3. Geschil In geschil is of de lijfrentepremieaftrek is toegestaan op grond van het bepaalde in artikel 45, eerste lid jo. vijfde lid, aanhef en onderdeel a, sub 2, van de Wet. 4. Standpunten van partijen Het Hof verwijst hiervoor naar de stukken van het geding. Kort samengevat hebben partijen hierin het volgende gesteld: 4.1. door belanghebbende: De wettekst van artikel 45, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, sub 2, van de Wet vereist niet dat het gedeelte van de onderneming dat is ingebracht, wordt voortgezet door de verzekeraar, i.c. A Beheer BV. Ook is daarvoor in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt te vinden. In de 'voorloper' van voormelde bepaling, de zgn. stamrechtvrijstelling van artikel 19 van de Wet, was evenmin een eis tot voortzetting van de onderneming opgenomen. De opv