Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-05-07
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8171
98/3947 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 20 augustus 1998, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 juli 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1996. De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van f 62.621; in de aanslag is f 113 heffingsrente begrepen. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van primair f 41.567 en subsidiair f 52.094, en voorts tot vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente tot nihil. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Ter zitting van 24 maart 1999 zijn verschenen belanghebbende en de inspecteur, tot bijstand vergezeld van dhr. Y. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. De inspecteur heeft daarvan kennis kunnen nemen en heeft zich erover kunnen uitlaten. Ter zitting is tevens behandeld het op 26 mei 1998 door belanghebbende ingediende beroepschrift, waarin hij opkomt tegen brieven van de inspecteur van 7 mei en 18 mei 1998, door belanghebbende opgevat als een weigering van de inspecteur om uitspraak te doen op een als bezwaarschrift aangemerkt schrijven van 19 februari 1998. Ter zitting is door de inspecteur een verbeterde kopie overgelegd van bladzijde 3 van het aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, werkzaam bij de rijksbelastingdienst, heeft zijn aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1996 ingediend op 21 maart 1997. Het aangegeven belastbare inkomen bedraagt f 52.094. Bij vraag 4 'Periodieke uitkeringen die niet onder de loonbelasting vallen' heeft belanghebbende een bedrag van negatief f 10.423 (50 % van f 20.846) vermeld met als toelichting: "In 1996 is de premie-A woning te P verkocht. Er is daarom in 1996 geen periodieke overheidsbijdrage voor de woning ontvangen. Op grond van het in verband met de subsidie van toepassing zijnde anti-speculatiebeding is in 1996 f 20.846,= aan de gemeente P betaald. Deze aftrekbare kosten zijn voor 50% aan mijn vrouw toegerekend (zie A.P.)." Op 24 april 1997 is een voorlopige aanslag opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. 2.2. Vanaf 4 september 1997 heeft belanghebbende telefonisch, per brief, via interne email en in gesprekken gecommuniceerd met de aanslagregelende ambtenaar, de teamleider Technisch Team Particulieren en het plaatsvervangende hoofd van de eenheid over de onder 2.1. bedoelde aftrekpost. Voor een chronologisch overzicht zij verwezen naar bijlage 5 bij het vertoogschrift. 2.3.1. Na een aantal contacten heeft de aanslagregelende ambtenaar bij brief van 16 februari 1998 schriftelijk uiteengezet dat hij het bedrag van f 10.423 niet aftrekbaar acht en dat de aanslag zal worden geregeld naar een vastgesteld belastbaar inkomen van f 62.621. 2.3.2. Bij brief van 19 februari 1998 maakt belanghebbende bezwaar tegen de 'opgelegde aanslag IB/PH 1996' en tegen het in rekening brengen van heffingsrente. De aanslag is intern vastgesteld op 16 april 1998 en is opgelegd met dagtekening 2 mei 1998. 2.3.3. Inmiddels had belanghebbende een en andermaal blijk gegeven van zijn ongenoegen over de trage afhandeling van de aanslag en het door hem als bezwaarschrift aangeduide schrijven van 19 februari 1998. Op 17 april 1998 deelt de teamleider van het Technisch Team Particulieren op een klacht van belanghebbende mede: '(..) Om de zaak echter niet nog ve Ingevolge het antispeculatiebeding heeft hij 40% van de met inachtneming van de Beschikking berekende verkoopwinst, f 20.846, aan de gemeente P moeten afdragen. Belanghebbende heeft in 1996 een woning te Z gekocht met een koopprijs van rond f 360.000 (waarde in bewoonde staat volgens aangifte f 217.000). 3. Geschil Partijen twisten over de vraag welk geschrift van belanghebbende als bezwaarschrift moet worden aangemerkt en - in het verlengde daarvan - of het materiële geschil aan de orde moet komen naar aanleiding van belanghebbendes beroepschrift van 26 mei 1998 dan wel dat van 20 augustus 1998. Het materiële geschilpunt is of de betaling uit hoofde van het antispeculatiebeding op het belastbare inkomen in aftrek kan worden gebracht. Belanghebbende acht als zodanig primair f 20.846 en subsidiair f 10.423 aftrekbaar, hetgeen de inspecteur bestrijdt. Voorts is in geschil of bij het opleggen van de definitieve aanslag terecht heffingsrente in rekening is gebracht. Tenslotte vraagt belanghebbende alle kosten van zowel de bezwaar- als de beroepsprocedures te vergoeden. 4. Standpunten van partijen Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Ter zitting heeft het Hof verontschuldiging aangeboden voor de onjuiste behandeling ter griffie van het beroepschrift, met het aanvankelijke kenmerk 98/2369, en heeft het Hof aangekondigd dat alle belanghebbende bekende tot dan gewisselde stukken inzake de onderwerpelijke aanslag worden behandeld. Door partijen is ter zitting toegevoegd, zakelijk weergegeven: 4.1. door belanghebbende: In de procedure met kenmerk 98/2369 moet het Hof doen wat de inspecteur had behoren te doen, namelijk het belastbare inkomen vaststellen overeenkomstig mijn stellingen, dus op f 41.567 dan wel f 52.094. Wat vervolgens moet gebeuren met de uitspraak van de inspecteur d.d. 16 juli 1998 kan ik verder niet inschatten; indien het Hof het niet met de inspecteur eens is, zal het Hof de aanslag moeten verminderen tot f 41.567 dan wel f 52.094. Ik heb destijds een voorlopige koopovereenkomst gesloten met de bouwmaatschappij. Toen was al beslist dat op de grond premie-A-woningen zouden komen. De grond is eind 1988 geleverd. Als ik geen premie zou hebben gekregen, zou ik het antispeculatiebeding niet hebben aanvaard. In theorie zou ik de premie ook hebben kunnen weigeren. Ik mocht er naar aanleiding van de brief van de inspecteur van 16 februari 1998 van uit gaan dat de zaak definitief geregeld was. Bezwaren die vóór de dagtekening van een aanslag binnenkomen worden naar mijn ervaring als bezwaarschrift in behandeling genomen. Bij mij wordt er een spelletje van gemaakt. De uitspraak van 16 juli 1998 gaat niet in op mijn brieven van vóór 9 juni 1998. Ik bestrijd daarom dat de inspecteur bedoeld heeft al mijn bezwaren, met inbegrip van het op 19 februari 1998 ingediende bezwaarschrift, in die uitspraak te behandelen. Als te vergoeden proceskosten beschouw ik: 4 uur verlet voor de zitting (netto-maandloon rond f 5.000), 8 uren voorbereiding, porto- en kopieerkosten f 50 à f 100 en voor de bezwaarfase ongeveer 24 uren verlet. 4.2. door de inspecteur: Bij nader inzien meen ik dat de brief van 16 februari 1998 kan worden aangemerkt als een beslissing waartegen bezwaar mogelijk is, zodat het bezwaar van 19 februari 1998 ontvankelijk kan worden geacht. De termijn om op dat bezwaar te beslissen eindigde ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) pas op 2 mei 1999, d.i. één jaar na de aanslagdatum. De uitspraak van 16 juli 1998 omvat alle eerdere bezwaarschriften en/of als aanvullingen daarop te beschouwen brieven. 5. Beoordeling van het geschil 5.1.1. Met zijn beroepschrift van 26 mei 1998 komt belanghebbende op tegen de brieven van het plaatsvervangend hoofd van de eenheid van 7 en 18 mei 1998, waarin deze verklaart dat belanghebbendes brief van 19 februari 1998 niet als bezwaarschrift zal worden behandeld. Belanghebbende concludeert dienaangaande d