Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-05-31
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8114
98/1598 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Y, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 9 april 1998, ingediend door A als zijn gemachtigde. Het beroep is aangevuld bij brief van 16 april 1998 en is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van 3 maart 1998 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993. De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 253.022. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van primair f 135.022 en subsidiair f 194.201, met toepassing van het tarief van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in samenhang met het tweede lid op de belastbare som voor zover deze een bedrag van f 43.267 te boven gaat. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hij concludeert uiteindelijk tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 243.022, met toepassing van het tarief van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, van de Wet in samenhang met het tweede lid op de belastbare som voor zover deze een bedrag van ¦ 43.267 te boven gaat. Op de zitting van 22 september 1998 zijn verschenen voornoemde gemachtigde vergezeld van B alsmede de inspecteur. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en met één bijlage overgelegd. De inspecteur heeft van deze bijlage kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten. De inhoud van de pleitnota en de bijlage gelden als opgenomen in deze uitspraak. Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken heeft het Hof vervolgens schriftelijk bij beide partijen inlichtingen ingewonnen. Op de vragen van het Hof van 30 september 1998 heeft de inspecteur geantwoord bij brief van 25 november 1998 en daarbij een in opdracht van beide partijen opgesteld taxatierapport van 17 november 1998 overgelegd. Belanghebbende heeft van de brief van 25 november 1998 bij brief van 30 november 1998 een kopie ontvangen en daarop gereageerd bij brief van 14 december 1998. De inspecteur heeft van deze laatste brief een kopie ontvangen bij brief van 16 december 1998. Partijen, de inspecteur desgevraagd telefonisch, hebben het Hof laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is geboren in 19xx en ongehuwd. Hij is van beroep psychiater. 2.2. Belanghebbende heeft in 1984 het pand C te Z (hierna: het pand) gekocht voor f 275.000. Het pand wordt sedertdien door belanghebbende deels gebruikt als eigen woning en deels als praktijkruimte ten behoeve van zijn psychiatrische praktijk. De omzet van de praktijk bedroeg in 1990 f 194.000, in 1991 f 310.000, in 1992 f 313.000 en in 1993 f 302.000. 2.3. In opdracht van D N.V. te E en ter verkrijging van een financiering heeft makelaar en taxateur F, het pand op 17 december 1992 getaxeerd. In een taxatierapport van 18 december 1992 is neergelegd dat de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik f 650.000 bedraagt en de executiewaarde bij eigen gebruik f 555.000. 2.4. In een schriftelijk stuk met dagtekening 1 juni 1993 heeft belanghebbende zijn voornemen vastgelegd om de voor zijn rekening en risico gedreven psychiatrische praktijk met ingang van 1 januari 1993 in te brengen in een door hem op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met de naam "X B.V." (hierna: de bv). 2.5. De praktijk wordt met ingang van 1 januari 1993 door de bv gedreven. 2.6. Bij notariële akte van 14 maart 1994 is de bv opgericht. Belanghebbende is enig Belanghebbende heeft een doorsnee psychiatrische praktijk. In principe kan men zich vrij vestigen. Belanghebbende heeft geen afspraken met huisartsen in het centrum over het doorverwijzen van patiënten. Een verplaatsing van de praktijk zou tot onrust onder de patiënten leiden. Belanghebbende en de bv zijn in januari 1993 een mondelinge huurovereenkomst aangegaan voor de duur dat de bv haar praktijk in het pand blijft uitoefenen. De huurprijs is later verlaagd met het oog op de redelijke salarisregeling voor de directeur-grootaandeelhouder. De huur bedraagt thans f 24.000. De praktijk is in principe altijd geopend. Het doel van de taxatie uit oktober 1993 was de waarde van het praktijkgedeelte te bepalen bij inbreng in de bv en niet bij een overgang naar privé. De taxatie uit december 1992 is geschied met het oog op het verkrijgen van een hypotheek bij D N.V. Bij deze taxatie is het pand gewaardeerd op f 650.000. Het praktijkgedeelte is gewaardeerd op f 220.000 en eventueel op 1/3 van f 650.000. 4.3. De inspecteur heeft op de zitting nog het volgende aan zijn standpunten toegevoegd: Een psychiater is voor de continuïteit van zijn praktijk in vergelijking met een middenstander minder gebonden aan een bepaalde standplaats. Ik bestrijd dat de bv ten tijde van het staken van de door belanghebbende gedreven onderneming het recht heeft gekregen tot huur van het praktijkgedeelte van het pand. Indien hiervan toch wordt uitgegaan ben ik van mening dat het daarmee samenhangend waardedrukkend effect gesteld moet worden op nihil. Het taxatierapport uit december 1992 is nieuw voor mij. Ik bestrijd dat de praktijk 1/3 deel van het pand uitmaakt. Voorts is niet duidelijk of met de verhuur van de bovenste verdieping aan derden rekening is gehouden. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Het Hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende ten tijde van het staken van de door hem gedreven onderneming de verplichting op zich had genomen om het praktijkgedeelte van het pand te verhuren aan de bv die de praktijk van hem overnam. De gemachtigde van belanghebbende heeft, door de inspecteur niet betwist, gesteld dat veel patiënten van belanghebbende uit het centrum van Z komen. Het Hof acht aannemelijk dat bij een verplaatsing van de praktijkruimte de mogelijkheid aanwezig was dat het patiëntenbestand een vermindering zou hebben ondergaan. Aannemelijk is dat de bv de onderneming slechts heeft willen overnemen indien de bestaande vestigingsplaats kon worden gecontinueerd. Dan is ook aannemelijk dat in het kader van de overdracht van de praktijk van belanghebbende naar de bv tussen contractspartijen afspraken zijn gemaakt over het handhaven van de vestigingsplaats van de praktijk en de wijze waarop deze plaats door belanghebbende aan de bv ter beschikking zou worden gesteld. Dat in het in 2.4 vermelde stuk de huurovereenkomst niet wordt vermeld, noch in enig ander schriftelijk stuk, leidt niet tot een ander oordeel. Nu aannemelijk is dat belanghebbende ten tijde van het staken de verplichting op zich had genomen om het praktijkgedeelte te verhuren aan de bv, dient bij het bepalen van de hoogte van de stakingswinst te worden uitgegaan van de waarde van het praktijkgedeelte van het pand in verhuurde staat. 5.2. Gelet op het onder 2.12 vermelde taxatierapport bedraagt de waarde van het praktijkgedeelte van het pand per 1 januari 1993 in verhuurde staat f 285.000. 5.3. De gemachtigde voert in zijn brief aan het Hof van 14 december 1998 aan dat de beide taxateurs, die het onder 2.12. vermelde taxatierapport hebben opgesteld, geen omschrijving hebben gegeven van de waardedrukkende elementen, die de specifieke ligging en indelingen van het pand met zich brachten. In plaats daarvan wenst de gemachtigde uit te gaan van de onder 2.3 vermelde taxatie. 5.4. Dit betoog moet worden verworpen. Blijkens het onder 2.12 vermelde taxatierapport hebben de beide taxateurs het pand op 7 oktober 1993 opgenomen. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat