Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-07-06
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8093
98/3234 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, handelend onder de naam ‘Snackbar A’, belanghebbende, tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 15 juli 1998, ingediend door zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 4 juni 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995. De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 66.016, ƒ 19.570 aan verhoging - waarvan 50% is kwijtgescholden - en ƒ 340 aan heffingsrente. Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, vernietiging van de navorderingsaanslag en vermindering van de verhoging tot nihil. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Ter zitting van 11 mei 1999 zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, vergezeld van belanghebbende in persoon, alsmede de inspecteur. Het beroep is gelijktijdig behandeld met belanghebbendes beroep bij dit Hof bekend onder kenmerk 98/3233. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. De inspecteur heeft van de bijlagen behorende bij deze pleitnota kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. 2. Tussen partijen vaststaande partijen 2.1. Belanghebbende exploiteert vanaf medio oktober 1993 in de vorm van een eenmanszaak een snackbar op het adres a-straat 1 te Z. 2.2. In het jaar 1995, evenals in de jaren 1993 en 1994, stonden in de bedoelde snackbar twee kansspelautomaten, hierna ook: speelautomaten, waarvan één van het type Random Runner. Deze Random Runner is vanaf 1 januari 1996 door de overheid verboden en sedertdien was er nog slechts één speelautomaat in de zaak aanwezig. 2.3. Belanghebbendes aandeel in de opbrengst van deze speelautomaten was tot april 1996 50%, de overige 50% was voor de eigenaar van de speelautomaten, B B.V., die de speelautomaten in de snackbar plaatste. Vanaf april 1996 was belanghebbendes aandeel in de opbrengst 55% tegen 45% van de eigenaar. 2.4. De speelautomaten die in de snackbar van belanghebbende waren geplaatst waren voorzien van twee tellers, een mechanische en een electronische. De mechanische tellers kunnen niet op nul worden gezet. Beide mechanismen waren voorzien van een inworp- en een uitbetalingsteller. De opbrengst van een speelautomaat kan aan de hand van deze tellers worden bepaald. 2.5. In de periode 1993 tot en met 1997 heeft belanghebbende in zijn aangiften de volgende opbrengst uit de speelautomaten aangegeven: 1993: ƒ 840 (vanaf medio oktober) 1994: ƒ 11.147 1995: ƒ 18.132 1996: ƒ 32.127 1997: ƒ 37.051 2.6. De indexcijfers van de door belanghebbende aangegeven totale omzet met betrekking tot zijn onderneming, waarbij de omzet voor het jaar 1995 is gesteld op 100, is als volgt: 1993 73 1994 96 1995 100 1996 90 1997 73 2.7.1. Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de aangiften in de inkomstenbelasting en de omzetbelasting over de periode 1993 tot en met 1995. Van het verslag van dit boekenonderzoek, gedagtekend 27 augustus 1997, behoort een kopie tot de gedingstukken. Bij brief van 2 september 1997 heeft belanghebbende een kopie van het verslag ontvangen. 2.7.2. Belanghebbende hield over de onderzochte periode geen kasboek bij. De uitdraaien van het kasregister gooide hij weg. De kladaantekeningen van de dagomzetten gooide hij eveneens weg nadat hij een overzicht van de weekomzetten had gemaakt. Eens per half jaar overhandigde belanghebbende een lijst van de weekomzetten - exclusief de omzet van de speelautomaten - en alle inkomende facturen en Geschil In geschil is of: de navorderingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, het opleggen van de verhoging tijdig aan belanghebbende en in bijzonderheden is meegedeeld, en de bestreden uitspraak alsnog dient te worden vernietigd wegens overschrijding van de beslistermijn. 4. Standpunten van partijen 4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. 4.2. Van de zijde van belanghebbende is ter zitting nog het volgende, zakelijk weergegeven, aan diens stellingen toegevoegd. Alle facturen met betrekking tot de omzet van de spelautomaten in het onderhavige jaar zijn aanwezig in de administratie. Deze afrekeningen werden eens per 4 weken opgesteld. Het op de facturen vermelde nummer betrof het weeknummer, welk nummer dan ook iedere factuur met 4 (weken) toenam. B B.V., de exploitant van de spelautomaten, heeft naar aanleiding van deze facturen geen correctie gehad. De afrekeningen zijn gebaseerd op de electronische teller, welke op nul kan worden gezet. De automaten hebben ook een mechanische teller, welke niet op nul kan worden gezet. In maart 1996 is de in de buurt van de snackbar gelegen coffeeshop definitief gesloten. Daarna werden de klanten van deze coffeeshop bij de snackbar vaste klanten. Momenteel zijn er geen speelautomaten meer aanwezig in de snackbar. 4.3. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergeven, nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. De bedoelde afrekeningen tussen belanghebbende en B B.V. beschouw ik niet als facturen maar eerder als gezamenlijke verklaringen met betrekking tot wat bij benadering de omzet ongeveer zou zijn. Er is geen enkele aanwijzing dat voor het onderhavige jaar de afrekeningen compleet zijn. Ik ben het eens met de opmerking van belanghebbendes gemachtigde dat het nummer van de facturen niet opeenvolgend hoeft te zijn daar B B.V. meerdere klanten heeft, maar gelet op het ontbreken van een datum op de afrekeningen bestaat geen duidelijkheid met betrekking tot de vraag wat de laatste factuur in 1995 is geweest. Ik bestrijd dat er voor mij een onderzoeksplicht bestaat voor wat betreft de gegevens van B B.V. Wellicht heeft B B.V. een betere administratie gehad en was verder onderzoek niet nodig. In die jaren was het onderzoeken van de omzet van speelautomaten van horeca-ondernemers landelijk beleid. De exploitanten volgen nog. Dat bij B B.V. geen correctie heeft plaatsgevonden van de omzet vormt geen aanleiding om te veronderstellen dat ook de gegevens van belanghebbende juist zijn geweest. De doorlopende tellers die niet op nul kunnen worden gezet, vormen geen aanknopingspunt voor controle van de omzet, aangezien de speelautomaten vrij regelmatig van locatie wisselen en de tellerstanden door de horeca-ondernemers niet worden opgeschreven. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende, onder 2.5 vermelde, omzetbedragen voor de jaren 1993 tot en met 1995 niet juist zijn. Hij beroept zich daartoe in het bijzonder op de theoretische omzetberekening, welke is gebaseerd op de door belanghebbende vastgelegde tellerstanden van de in zijn onderneming aanwezige speelautomaten in de periode 30 mei tot 10 september 1996. Voorts heeft de inspecteur nog gesteld dat de uitkomst van bedoelde omzetberekening voor het onderhavige jaar eerder te laag dan te hoog is, aangezien hij per abuis voor het jaar 1996 is uitgegaan van indexcijfer 111 in plaats van 90. 5.2. Naar aanleiding van het onder 2.7.1. genoemde boekenonderzoek dat bij belanghebbende heeft plaatsgevonden, heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de administratie van belanghebbende niet als grondslag kan dienen voor de winstberekening in het onderhavige jaar en dat belanghebbende aldus niet heeft voldaan aan zijn administratieverplichting als bedoeld in artikel 52 van de Wet. Mitsdien heeft de inspecteur de administratie van belanghebbende verworpen. 5.3. Vaststaat dat de speelautomaten die in de onderneming van belanghebbende