Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-08-27
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8032
98/3001 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vierde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van Burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder, 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 juli 1998. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 17 mei 1998 en verzonden op 19 juni 1998, betreffende de ten name van belanghebbende genomen beschikking van 20 maart 1998, waarbij - volgens de tekst van die beschikking - voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 de waarde van de onroerende zaak a-straat 5 5 te P is vastgesteld op f 346.000. Na bezwaar tegen de beschikking is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de beschikking. Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak. Ter zitting van de Tiende Enkelvoudige Belastingkamer van 17 maart 1999 zijn verschenen belanghebbende en A namens verweerder, tot bijstand vergezeld van mr. B. Beide partijen hebben een tot de gedingstukken te rekenen pleitnota overgelegd en voorgedragen. Na verwijzing naar de Vierde Meervoudige Belastingkamer zijn partijen bij aangetekend verzonden brief op 19 maart 1999 opgeroepen voor de zitting van 21 mei 1999, doch zij zijn niet verschenen. Bij brieven van 23 en 29 maart 1999 hebben zij het Hof bericht niet op die zitting te zullen verschijnen. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de bovengenoemde onroerende zaak, hierna ook: de woning, waarvan de waarde door verweerder met toepassing van artikel 41 van de voor het onderhavige jaar geldende tekst van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: wet WOZ) naar het prijspeil 1 januari 1992 is vastgesteld op f 261.000 bij een op 28 februari 1997 gedagtekende beschikking als bedoeld in artikel 22 van die wet. 2.2. De woning is in de zomer van 1996 verbouwd, welke verbouwing in hetzelfde jaar gereed is gekomen. De verbouwing is bij de gemeente Nieuwegein gereed gemeld op 24 februari 1997. 2.3. De bestreden beschikking is genomen op 20 maart 1998. Daarbij is de waarde - blijkens de tekst van die beschikking - vastgesteld op f 346.000 voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 of een gedeelte daarvan. 3. Geschil en standpunten van partijen Belanghebbende is van oordeel dat de sub 2.3 genoemde beschikking rechtskracht ontbeert omdat de sub 2.1 bedoelde beschikking niet is ingetrokken en omdat de beschikking bedoeld onder 2.3 niet is gemotiveerd. Hij meent voorts dat in het systeem van de wet WOZ voor de waardevaststelling per 1 januari 1997 geen rekening kan worden gehouden met een in 1996 voltooide verbouwing. Voorts kan de beschikking bedoeld onder 2.3 geen betrekking hebben op de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 zoals verweerder stelt. Van een beschikking krachtens artikel 27 van de wet WOZ kan geen sprake zijn, omdat de gemeente Nieuwegein al ten tijde van het nemen van de onder 2.1 genoemde beschikking op de hoogte was van de verbouwing en de voltooiing daarvan in 1996. Verweerder stelt dat de sub 2.1 genoemde beschikking geldt voor de periode van 1 januari 1997 tot 1 januari 1998 en de onder 2.3 bedoelde beschikking voor de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000. Van een beschikking krachtens artikel 27 is naar zijn oordeel geen sprake. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Uit de stukken blijkt dat de bestreden uitspraak is gedaan door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein op 17 mei 1998. Blijkens het bepaalde in artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en de aanpassingswetgeving behorende bij de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht is sedert 2 april 1998 slechts bevoegd tot het doen van een uitspraak de gemeente-ambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen. Dit bre