Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-10-26
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7942
P97/2071 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het hoofd Financiën van de Bestuursdienst van de gemeente P, verweerder. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 20 juni 1997, aangevuld bij schrijven van 6 november 1997. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 29 april 1997 en verzonden 13 mei 1997, betreffende de aan belanghebbende opgelegde en op één biljet verenigde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 1996. De aanslagen zijn berekend naar een waardegrondslag van ƒ 267.000. Na bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de aanslagen gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar een waardegrondslag van ƒ 77.000 dan wel een nader te bepalen bedrag. Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Ter zitting van 12 mei 1998 van de Elfde Enkelvoudige Belastingkamer zijn verschenen belanghebbende in persoon en verweerder. Belanghebbende heeft ter zitting een tot de gedingstukken te rekenen pleitnota voorgedragen en overgelegd. Verweerder is door het Hof in de gelegenheid gesteld om na de zitting op deze pleitnota schriftelijk te reageren, doch deze heeft daar van afgezien. In verband met langdurige afwezigheid van het lid van de Elfde Enkelvoudige Belastingkamer is de behandeling van de zaak overgenomen door de Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer. Ter zitting van die kamer van 9 maart 1999 zijn dezelfde personen verschenen als ter zitting van 12 mei 1998. Beide partijen hebben ter zitting een tot de gedingstukken te rekenen pleitnota voorgedragen en overgelegd. Verweerder heeft kunnen kennis nemen van de bij belanghebbendes pleitnota gevoegde bijlagen en de overige door hem ter zitting overgelegde produkties, en heeft zich daarover kunnen uitlaten. Na laatstgenoemde zitting heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgehad waarop de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken zijn toegepast. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, van beroep landschapsarchitect, was op 1 januari 1996 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak) en stond als zodanig ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente P. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 1996 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen opgelegd in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 1996 wegens het gebruik en de eigendom van de onroerende zaak. Deze bestaat uit een perceel grond ter grootte van circa 17.730 m² met daarop een omstreeks 1960 gebouwde opstal, die een inhoud heeft van circa 450 m³. Belanghebbende had de opstal op 1 januari 1996 in gebruik als woning; de opstal was daartoe, gelet op de inrichting ervan, ook geschikt. 2.2. De aanslagen zijn opgelegd krachtens de in de gemeente P geldende "Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting 1996" (hierna: de Verordening), welke is vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van die gemeente van 8 november 1995 en is goedgekeurd bij besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 8 december 1995, nummer 5654304/484. De Verordening luidt voor zover van belang als volgt: "Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De maatstaf van heffing is de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak. De waarde in het economische verkeer wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin het zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in feitelijk gebruik zou kunnen nemen. 2. De maatstaf van heffing van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, wordt bepaald op de vervang De eigenaar/gebruiker is niet als medegegadigde aan te merken. De invloed op de waarde van wettelijke voorschriften, waaronder begrepen planologische bestemmingsvoorschriften, mag bij het voorgaande niet worden uitgeschakeld. De potentiële verkrijger van de onroerende zaak zal immers te rade gaan welke van deze voorschriften van toepassing zijn en vervolgens welke bestemming hij binnen de grenzen van deze voorschriften aan de onroerende zaak zou kunnen geven. 5.2. Een en ander brengt met zich dat in het onderhavige geval moet worden gelet op het op 1 januari 1996 geldende bestemmingsplan Landelijk Gebied waarin de onroerende zaak is gelegen, zoals vermeld onder 2.3. Uit dit plan vloeit voort dat op de grond welke deel uitmaakt van de onroerende zaak slechts bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd, en daarnaast ten hoogste één bedrijfswoning welke uitsluitend tegelijk met of na het tot stand komen van de overige bedrijfsgebouwen mag worden gebouwd. Aangezien zich op die grond één opstal bevindt kan deze ingevolge het bestemmingsplan slechts als bedrijfsgebouw worden aangemerkt en niet tevens als een (bedrijfs)woning. Bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak moet dan ook wat betreft de opstal worden uitgegaan van de bestemming bedrijfsgebouw en niet van de bestemming (bedrijfs)woning. Zoals uit het onder 5.1 overwogene voortvloeit doet hier niet aan af de omstandigheid dat belanghebbende de opstal op 1 januari 1996 als woning in gebruik had en de opstal, gelet op de inrichting ervan, daartoe ook geschikt was. 5.3. Verweerder heeft in zijn schrijven met verzenddatum 25 maart 1999 gesteld dat, wanneer wordt uitgegaan van voormelde bestemming, de waarde in het economische verkeer van de opstal moet worden gesteld op ƒ 350 per m³ en dat de waarde in het economische verkeer van de grond, welke dient te worden toegerekend aan de opstal, moet worden gesteld op ƒ 50 per m². Daar belanghebbende deze bedragen niet heeft betwist en deze bedragen het Hof niet onaannemelijk voorkomen, zal het Hof bij de waardebepaling van de onroerende zaak uitgaan van deze bedragen. De onder 2.5 vermelde vergelijkingsobjecten kunnen in dit verband geen rol spelen, omdat het objecten betreft met een woonbestemming. Vaststaat dat de inhoud van de woning circa 450 m³ bedraagt. Voorts blijkt uit het taxatieverslag van verweerder van 14 mei 1997, waarvan een kopie tot de stukken behoort, dat door verweerder aan de opstal grond is toegerekend met een oppervlakte van 300 m². Uit een en ander vloeit voort dat het Hof de waarde van de opstal en de daaraan toegerekende grond vaststelt op (450 (m³) x ƒ 350 =) ƒ 157.500 plus (300 (m²) x ƒ 50 =) ƒ 15.000, derhalve in totaal ƒ 172.500. 5.4.1. Tussen partijen is - naar het Hof begrijpt - niet in geschil dat de onbebouwde grond welke behoort tot de onroerende zaak, voor zover deze niet aan de opstal is toegerekend, moet worden aangemerkt als cultuurgrond in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening, zoals vermeld onder 2.2. Alvorens kan worden geoordeeld dat de betreffende vrijstelling als bedoeld in voormeld artikel in het onderhavige geval van toepassing is moet voorts nog worden voldaan aan het vereiste dat de cultuurgrond bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. De bewijslast dat dit laatste het geval is rust op belanghebbende. Het Hof acht hem in dit bewijs niet geslaagd. Ter zitting van 9 maart 1999 heeft hij exploitatieoverzichten over de jaren 1985 en 1986 getoond waaruit blijkt dat hij in die jaren een positieve opbrengst uit de verkoop van bomen heeft genoten. Hij heeft evenwel niet aangetoond dat in latere jaren eveneens zodanige opbrengst is genoten. Niet is gebleken dat belanghebbende, beoordeeld naar de gehele periode waarin hij zich heeft bezig gehouden met het kweken van bomen, opbrengsten heeft genoten of redelijkerwijs kon verwachten van zodanige omvang dat zij de gemaakte kosten zouden overtreffen. Aldus is het Hof van oordeel dat de betreffend