Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-10-26
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7937
98/3706 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Y, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 13 augustus 1998, ingediend door A als zijn gemachtigde. Het beroep is aangevuld bij brief van 4 november 1998 en is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van 3 juli 1998 betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 128.421. Na bezwaar is de aanslag gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vaststelling van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 128.421 met inachtneming van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van f 8.087. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Met toestemming van de voorzitter heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingezonden. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend. Op de zitting van 7 september 1999 zijn verschenen belanghebbende en voornoemde gemachtigde alsmede de inspecteur. Desverzocht heeft de inspecteur op 7 september 1999, na afloop van de mondelinge behandeling, per fax een uitdraai van de gegevens van de onderhavige aanslag aan het Hof doen toekomen. Bij brief van 8 september 1999 heeft de gemachtigde hiervan een kopie ontvangen. De gemachtigde heeft op 14 september 1999 de griffier per telefoon meegedeeld dat hij geen opmerkingen heeft naar aanleiding van de hem bij genoemde brief toegezonden stukken en dat hij geen behoefte heeft aan een nadere mondelinge behandeling. De inspecteur heeft het Hof op de zitting laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is als bedrijfsjurist in dienstbetrekking werkzaam bij de in G gevestigde vennootschap onder firma B een joint venture tussen C en D. C heeft als hoofdactiviteit het transport en de installatie van olie- en gasplatforms. Deze werkzaamheden worden ’offshore’ verricht met behulp van sleepboten, transportbakken en kraanschepen en houden verband met de exploiratie of exploitatie van de tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland (hierna: VK) en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: USA) behorende zeebodem. 2.2. Belanghebbende houdt zich in het kader van zijn functie onder meer in de vestigingen te E (VK) en te F (USA) bezig met vennootschapsrechtelijke aspecten van de bij de werkzaamheden betrokken vennootschappen en met de totstandkoming en afhandeling van contracten met oliemaatschappijen inzake transport en installatie van olie- en gasplatforms. Met name heeft hij onderhandelingen gevoerd inzake de mate en hoogte van aansprakelijkheden, verzekeringsclaims, milieuclaims en exonoratieclausules met betrekking tot de contracten. 2.3. In 1996 heeft belanghebbende op 13 dagen in het VK en op 28 dagen in de USA werkzaamheden voor C verricht. In dat jaar bedroeg zijn salaris f 150.988 waarop f 57.893 loonheffing is ingehouden. 2.4. C heeft vanwege haar buitengaatse activiteiten op het Britse en Amerikaanse deel van het continentale plat in beide landen een vaste inrichting op grond van de door Nederland met het VK en de USA gesloten verdragen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting, te weten artikel 22A, derde lid, van het Verdrag met het VK van 7 november 1980 (hierna: Verdrag VK) en artikel 27, derde lid, van het Verdrag USA van 18 december 1992 (hierna: Verdrag USA). 2.5. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 geeft belanghebbende een belastbaar inkomen aan van f 128.421. In een bijlage bij de aangifte becijfert belanghebbende de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting als volgt: f 23.718 x f 43.789 = f Uit de bewoordingen van deze verdragsbepalingen leidt het Hof af dat de vaste inrichting (hierna: v.i.) als bedoeld in het derde lid van genoemd artikel 27 alleen ontstaat en ook eerst reden van bestaan heeft, indien C geen v.i. in de USA heeft op grond van het bepaalde in artikel 5 van het Verdrag USA. Dat dit laatste het geval is, is tussen partijen buiten geschil. Alsdan kan belanghebbende op de toewijzing van belastingheffing aan de USA, zoals is voorzien in artikel 16, eerste lid, van het Verdrag USA, ter zake van de aan zijn USA-werkzaamheden toegerekende beloning eerst aanspraak maken -voorshands ervan uitgaande dat deze beloning ten laste komt van een v.i. in de USA- indien de in het tweede lid, onderdeel c, van artikel 16 genoemde v.i. naast een v.i. als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag USA ook ziet op een v.i. in de zin van artikel 27, derde lid, van het Verdrag USA. Belanghebbende bepleit voormelde, voor de toewijzing van belastingheffing aan de USA noodzakelijke uitlegging van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van het Verdrag USA op twee gronden. 5.2. In de eerste plaats past, naar de opvatting van belanghebbende, de hier noodzakelijke uitlegging, omdat artikel 27, derde lid, van het Verdrag USA een aanvulling is van artikel 5, derde lid, van datzelfde verdrag en aldus, naar het Hof belanghebbende verstaat, de v.i. van artikel 27 opgaat in de v.i. van artikel 5. Gelet op het vorenoverwogene onder 5.1 verwerpt het Hof deze grond. Artikel 27 van het Verdrag USA gaat uit van een afzonderlijke betekenis van de v.i. bedoeld in artikel 5 van dat verdrag en de v.i. bedoeld in artikel 27, derde lid, van dat verdrag, zodat vereenzelviging van beide v.i.’s of absorptie van de een door de ander door aanvulling buiten de orde is. Er zijn geen althans onvoldoende aanknopingspunten hieromtrent om voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van het Verdrag USA anders te oordelen. Zo doet aan het hieroverwogene niet af dat de winst van beide vorenbedoelde v.i’s naar dezelfde (verdrags)regels moet worden bepaald. 5.3. In de tweede plaats stelt belanghebbende zich op het standpunt dat voor de v.i. genoemd in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van het Verdrag USA slechts de positie van de werkgever -in casu C- van belang is, nu gesproken wordt van ’een vaste inrichting (...) die de werkgever in de andere Staat heeft’, en dat, waar de v.i. van artikel 27, derde lid, van het Verdrag USA voor de positie van de werkgever wordt erkend, deze alsdan ook voor de positie van de werknemer moet worden erkend omdat anders de (salaris)kosten wel ten laste van de v.i. komen maar de werknemers daarbuiten zouden blijven. Ook deze grond verwerpt het Hof. Artikel 27 van het Verdrag USA heeft blijkens het eerste lid van dat artikel ten doel een bijzondere, van de overige verdragsartikelen afwijkende regeling te treffen. Deze bijzondere regeling geldt voor bepaalde buitengaatse werkzaamheden en heeft in het bijzonder betrekking op de met die werkzaamheden behaalde winst en op de ter zake van die werkzaamheden voor niet-zelfstandige arbeid betaalde beloningen. Buiten geschil is dat belanghebbende in het onderhavige jaar geen buitengaatse werkzaamheden heeft verricht. In zoverre kan belanghebbende geen aanspraak maken op de bijzondere regeling van artikel 27, zesde lid, van het Verdrag USA. Naar het oordeel van het Hof kan het zonder enige verdere aanwijzing, die niet voorhanden is, niet de bedoeling van de verdragsluitende staten zijn geweest om met toepassing van de bijzondere regeling voor buitengaatse activiteiten -in casu met toepassing van artikel 27, derde lid, van het Verdrag USA- de regeling van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van het Verdrag USA op te rekken tot toepassing voor het verrichten van kortdurende, niet-buitengaatse werkzaamheden. 5.4. In artikel 22A, eerste lid, van het Verdrag VK is, anders dan in artikel 27, eerste lid, van het Verdrag USA , niet met zoveel woorden vermeld dat het artikel geen toepassi