Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-11-24
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7839
98/4983 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Negende enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X teY, belanghebbende tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 18 november 1998. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 12 november 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 36.025. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en (uiteindelijk) tot ver-mindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 35.365. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert (uiteindelijk) tot verminde-ring van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 35.365. Met toestemming van de voorzitter van de derde meervoudige belastingkamer heeft belang-hebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend. Ter zitting van 7 juli 1999 zijn verschenen belanghebbende tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote mevrouw A, en de heer B namens de inspecteur. Op 21 juli 1999 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 23 juli 1999 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief van 5 augustus 1999, ter griffie ingekomen op 10 augustus 1999, heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het in artikel 17b, lid 2, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken bedoelde griffierecht, om de betaling waarvan bij brief van 25 augustus 1999 is verzocht, is op 15 oktober 1999 betaald. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, geboren op 29 oktober 1954 en gehuwd, is van beroep stuwadoor. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 1997 onder de inkomsten uit arbeid een bedrag begrepen van ƒ 41.367. Bij de bepaling van de in te houden loonheffing is door de twee verschillende inhoudingsplichtigen rekening gehouden met tariefgroep 3. Belangheb-bende heeft in zijn aangifte aftrek van reiskosten woning-werk en beroepskosten geclaimd. Aan rente van schulden is onder de persoonlijke verplichtingen in totaal ƒ 1.464 in aftrek gebracht (ƒ 125 betaalrekening VSB Bank plus ƒ 1.339 doorlopend krediet VSB Bank). De aanslag is conform de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 36.025. 2.2. Belanghebbendes echtgenote genoot over het jaar 1997 een AAW/WAO-uitkering van ƒ 8.604 van Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. Bij de bepaling van de in te houden loonhef-fing is rekening gehouden met tariefgroep 2. 3. Geschil In geschil is of belanghebbende dient te worden ingedeeld in tariefgroep 3, zoals belang-hebbende bepleit, dan wel in tariefgroep 2, zoals de inspecteur voorstaat. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting hebben partijen daaraan, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd. Belanghebbende: De inspecteur heeft een door mij opgevoerde aftrekpost ten onrechte gecorrigeerd. Door de indeling in tariefgroep 2 ga ik er plusminus ƒ 720 op achteruit, terwijl mijn vrouw maar een WAO-uitkering heeft van plusminus ƒ 600. Blijkens de afschriften van de VSB bank die ik het Hof kan laten zien, heb ik in 1997 maan-delijks ƒ 165 betaald aan aflossingen op een lening. Het in dat bedrag begrepen bedrag aan rente bedroeg ƒ 54,59; derhalve totaal afgerond ƒ 660 per jaar. Belanghebbendes echtgenote: In de weekenden verblijf ik in ieder geval bij mijn man en kinderen. De overige dagen pas ik -zo mogelijk- op huizen van mensen die met vakantie zijn. Deze situatie bestond in 1997 en ook nu nog. Inspecteur: De aangifte van belanghebbende is gevolgd met uitzondering van de tariefgr