Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-12-22
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA3997
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM UITSPRAAK VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHTSHOF ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT inzake: X wonende te Y, verzoeker tegen: de inspecteur van de Belastingdienst, landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 9 november 1999. 2. Onstaan en loop van het geding Bij het bestreden besluit heeft verweerder verklaard dat uit gegevens per 1 oktober 1999 gebleken is dat verzoeker als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfonds-verzekering in 2000. Tegen dit besluit heeft mr A namens verzoeker op 8 december 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 9 december 1999 heeft mr A voornoemd zich namens verzoeker tot de President van het Gerechtshof gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is aangevuld bij faxbericht van 16 december 1999. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend alsmede enige op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden welke nog zijn aangevuld bij faxbericht van 15 december 1999. Het verzoek is op 17 december 1999 ter zitting behandeld. Namens verzoeker is mr A verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr B van de Belastingdienst. 3. Karakter voorlopige voorziening Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure. 4. Feiten en omstandigheden 4.1. In het Staatsblad 1999, 461 is gepubliceerd de Wet van 28 oktober 1999, houdende uitbreiding van de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met zelfstandigen. In artikel I van voormelde wet is onder meer bepaald dat na artikel 3c van de Ziekenfondswet een artikel 3d wordt ingevoegd. In het Staatsblad 1999, 462 is gepubliceerd het Besluit van 1 november 1999 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 28 oktober 1999 voornoemd. In het enig artikel is onder meer bepaald dat artikel I van laatstgenoemde wet in werking treedt met ingang van 1 januari 2000. 4.2. Artikel 3d voornoemd luidt als volgt: 1. Verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan f 41 200,- 2. De inspecteur van de rijksbelastingdienst verstrekt bij voor bezwaar vastbare beschikking aan de persoon, bedoeld in of krachtens het eerste lid, een verklaring waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. 3. Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten beschouwing wijzigingen in het inkomen die door de inspecteur van de rijksbelastingdienst na 1 oktober worden vastgesteld. 4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid wordt onder inkomen verstaan voor binnenlands belastingplichtigen, het inkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en voor buitenlands belastingplichtigen het binnenlandse inkomen bedoeld in artikel 48, eerste lid, van die wet met dien verstande dat indien de berekening van het inkomen tot een negatief bedrag leidt, dat inkomen op nul wordt gesteld. Bij ministeriële regeling wordt bepaald over welk tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen en kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid. 5. Artikel 3a is van overeenkomstige toepassing op het bedrag, genoemd in het ee