Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1998-10-13
ECLI:NL:GHAMS:1998:AK3659
DE TARIEFCOMMISSIE Uitspraak in de zaak nr. 0007/96 TC de dato 13 oktober 1998 1. De procedure 1.1. Op 9 januari 1996 is een beroepschrift ingekomen van mr. O, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur der invoerrechten en accijnzen van 1 december 1995, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 30 november 1994 vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 141.838,30, is afgewezen. 1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 19 augustus 1997. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr. A en namens de inspecteur mr. B. De inspecteur en de gemachtigde hebben beiden een pleitnota overgelegd en voorgedragen. 2. De vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft in opdracht van de importeur A B.V. te V in de periode van 15 juli 1992 tot en met 28 oktober 1993 24 aangiften ten invoer gedaan van "ontvangtoestellen voor radio-omroep, welke niet zonder externe energiebron kunnen functioneren, gecombineerd met een toestel voor het opnemen/weergeven van geluid, van de soort die in motorvoertuigen wordt gebruikt" van oorsprong uit Indonesië. Aangegeven werd post 8527 21 90 van het Tarief van invoerrechten (GDT). Door vermelding van de code 142 werd aanspraak gemaakt op toepassing van de preferentie in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Bij de aangiften waren telkens certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd. Het conventionele tarief was 14% van de douanewaarde, het preferentiële APS-tarief was 0%. 2.2. Een rapport van de Economische Controledienst, Hoofdafdeling Internationaal Economische Recherche, van 27 mei 1994, opgemaakt door de rapporteur Q, luidt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, als volgt: "1. Aanleiding Naar aanleiding van een melding van de EG-commissie te Brussel en berichten vanuit de marktsector heb ik vanaf eind mei 1992 een nader onderzoek ingesteld naar de juistheid van de importen in Nederland van autoradio's, waarbij Indonesië als land van oorsprong werd aangegeven. Uit de import-statistieken van januari 1989 tot en met december 1992 bleek dat de exporten van autoradio's vanuit Indonesië naar Nederland pas in de tweede helft van 1991 zijn begonnen en dat in die tijd de import van deze producten vanuit Zuid-Korea naar Nederland drastisch is afgenomen. Midden 1991 is er in Zuid-Korea een antidumpingsonderzoek naar dit product ingesteld, gevolgd door een antidumpingsmaatregel, welke geldt voor autoradio's ingedeeld onder de goederencodes 8527 21 10, 8527 21 90 en 8527 29 00 van oorsprong uit Zuid-Korea voor de periode van 5 februari 1992 tot en met 4 augustus 1997. (...) 4. Antidumpingsmaatregel Dit betekent in de praktijk dat bij een normale import van autoradio's het buitentarief van douanerechten geldt van 14% en, indien de autoradio's van oorsprong uit Zuid-Korea zijn, bovendien nog een anti-dumpingsrecht van maximaal 34.4%. Door op niet legale wijze de Zuidkoreaanse oorsprong te veranderen in een Indonesische wordt een onterecht voordeel genoten van 14% douanerechten en 34.4% anti-dumpingsrechten. (...) 5. Onderzoek in Nederland Aan de hand van een Sagitta-uitdraai bleek dat in de jaren 1991 en 1992 door A BV autoradio's vanuit Indonesië werden geïmporteerd onder gebruikmaking van een GSP-certificaat. 6. EG-missie naar Indonesië Gezien de twijfels die ontstaan waren aangaande de door de Indonesische autoriteiten afgegeven certificaten, Formulier A, heeft er een EG-missie plaatsgevonden van 13 maart tot en met 2 april 1993. In Indonesië werden onder meer de producenten C te D en E te F bezocht. Tijdens de bezoeken aan de bedrijven ontstond sterk de indruk dat de getoonde productielijnen speciaal voor het Het geschil In geschil is het volgende: primair: of de uitnodiging tot betaling op een juiste grondslag is gebaseerd, subsidiair: of de inspecteur op goede gronden de certificaten van oorsprong ongeldig heeft geacht, meer subsidiair: of de uitnodiging tot betaling in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is gedaan, meer meer subsidiair: of in ieder geval het deel van de uitnodiging tot betaling, dat betrekking heeft op de in 1993 gedane aangiften, ten onrechte is gedaan. 4. Het standpunt van belanghebbende 4.1. De uitnodiging tot betaling is ten onrechte gebaseerd op de Verordening (EEG) nr. 1697/79 (hierna: de Verordening navordering). Met ingang van 1 januari 1994 geldt het Communautair douanewetboek (CDW); ingevolge artikel 251 CDW is de Verordening navordering per die datum ingetrokken. De uitnodiging tot betaling had derhalve op het CDW moeten zijn gebaseerd. Ingevolge artikel 221, lid 1, CDW dient het bedrag van de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld. De onderhavige uitnodiging tot betaling is gebaseerd op artikel 129 van de Wet inzake de douane (WD). Deze wet richt zich naar de in artikel 113 van die Wet genoemde belastingen, maar is niet van toepassing op communautaire heffingen. De mededeling als bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW is niet hetzelfde als de kennisgeving als bedoeld in artikel 2, lid 2, van de Verordening navordering; artikel 1a WD mist hier toepassing. Er is derhalve op een onjuiste grondslag nagevorderd. 4.2. De controle a posteriori heeft niet plaatsgevonden op de wijze als bedoeld in artikel 94 van de Uitvoerings-verordening van het CDW (UCDW). De in casu gevolgde handelwijze is noch in het CDW of UCDW noch in de Verordening (EEG) nr. 693/88 opgenomen. De door de missie van de Europese Commissie verkregen informatie mag niet dienen als bewijs voor de ongeldigheid van de certificaten. Het bewijs dat de goederen niet van de betreffende oorsprong zijn moet worden aangereikt door het begunstigde land van uitvoer. Voor het onderzoek door de EG-missie heeft een onderzoek door de Indonesiche autoriteiten plaatsgevonden; toen is niet aan die autoriteiten van de ongeldigheid van die certificaten gebleken. 4.3. Douanerecht vormt een onderdeel van het Nederlands belastingrecht; de Nederlandse douaneambtenaren dienen daarom het in het nationale recht erkende vertrouwens-beginsel te respecteren. Belanghebbende is te goeder trouw afgegaan op de door officiële Indonesische instanties afgegeven certificaten, formulier A. Op communautair niveau is de rechtsvraag in discussie of economische subjecten, die redelijkerwijs geen weet kunnen hebben van onregelmatigheden in besluiten van autoriteiten in derde landen, mogen vertrouwen op aldaar afgegeven certificaten van oorsprong die recht geven op een preferentiële behandeling. De Tariefcommissie wordt verzocht een prejudiciële vraag met een strekking als hiervoor bedoeld, te stellen. In deze zaak moet ten aanzien van het vertrouwen in de afgifte van de certificaten door de Indonesische autoriteiten het volgende worden opgemerkt: Uit het rapport van de EG-missie is af te leiden dat de Indonesische autoriteiten zelf niet hebben gehandeld volgens de regels van het preferentieel handelsverkeer. De autoriteiten hebben geen inzage gegeven in documenten, die van een mogelijke betrokkenheid van die autoriteiten aan het licht zouden kunnen brengen. Belanghebbende kan zich tegen de bevindingen in het rapport en de verklaring van de Indonesische autoriteiten redelijkerwijze niet verdedigen. In de bezwaarfase is een beroep gedaan op een uitspraak van de rechtbank te Nice en tevens op een arrest van een Portugees Gerechtshof, waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld. De inspecteur is niet ingegaan op de door belanghebbende met betrekking tot die uitspraken aangevoerde argumenten, zodat de uitspraak, waarvan beroep in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gedaan en daarom moet worden vernietigd. 4.4. In bijlage 3 van h