Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1998-03-18
ECLI:NL:GHAMS:1998:AA4222
Gerechtshof te Amsterdam kenmerk P97/21047 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Particulieren te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 95.024. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur de aanslag bij uitspraak van 29 augustus 1995 gehandhaafd. Tegen die uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Bij uitspraak van 7 juni 1996 heeft de Tweede Enkelvoudige Belastingkamer van dat Gerechts-hof de uitspraak van de inspecteur bevestigd. Op het door belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad beslist in zijn arrest van 24 september 1997, nr. 32.446, opgenomen in BNB 1997/361, waarbij de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden is vernietigd en het geding naar dit Hof is verwezen ter verdere behandeling en beslissing in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad. Van belanghebbende is op 11 november 1997 een toelichting bij de voortgezette behandeling ontvangen. Ter zitting van 7 januari 1998 zijn verschenen belanghebbende en zijn echtgenote, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en (met bijlagen) overgelegd, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. De wederpartij heeft van alle genoemde stukken van belanghebbende kennis kunnen nemen en heeft zich daarover kunnen uitlaten. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Na verwijzing kan van het volgende worden uitgegaan. 2.2. Belanghebbendes in 1966 geboren zoon (hierna: de zoon) volgde een academische opleiding die hij in 1992 heeft onder-broken omdat hij moest worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij is daar ook gedurende het gehele jaar 1993 behandeld. In de weekeinden verbleef de zoon in zijn studentenhuis. 2.3. De kosten van de ziekenhuisopname van de zoon vielen onder de Algemene wet bijzondere ziektekosten. De zoon genoot in 1993 een (aangepaste) uitkering op grond van de Algemene bijstandswet van ƒ 14.155 (minus ƒ 3.513 loonheffing). Het recht op studiefinanciering was met ingang van 1 juli 1992 vervallen. Belanghebbende had in het onderhavige jaar voor de zoon geen aanspraak op kinderbijslag. 2.4. De zoon nam reeds vóór de opname in het ziekenhuis regelmatig deel aan zeilwedstrijden en is zulks ook na de opname blijven doen. Belanghebbende heeft, in aanvulling op de bijstandsuitkering die de zoon ontving, in het onderhavige jaar de kosten van het wedstrijdzeilen tot een bedrag van ƒ 3.020 voor zijn rekening genomen. Hij heeft een aan hem in eigendom toebehorende zeilboot (een "Stern 1010") in gebruik afgestaan aan de zoon. Daarnaast heeft belanghebbende bepaalde kosten terzake van onderhoud van die boot en het geschikt maken ervan voor wedstrijdzeilen voor zijn rekening genomen, d.i. door de zoon in mei 1993 zijn vorige zeilboot te laten verkopen en hem de verkoopopbrengst (ƒ 2.200) te laten behouden, en door in november/december 1993 een bedrag van ƒ 820 aan uitgaven voor onderhoud van de Stern 1010 te betalen. 3. Het geschil na cassatie In geschil is of belanghebbende heeft bijgedragen in de uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de zoon, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, sub 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) en, zo ja, welk bedrag in het onderhavige jaar als zodanig in aan-merking kan worden genomen. 4. Standpunten van partijen 4.1. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding. 4.2. Ter zitting zijn daaraan door partijen geen nadere gronden toegevoegd. 4.3. Belanghebbende heeft verklaard voor het bijwonen van de zitting van het Hof te Leeuwarden