Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-30
ECLI:NL:CRVB:2026:999
Aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier toegekend voor de duur van twee jaar. Appellante is gevallen en heeft letsel aan haar knie opgelopen. De geldigheidsduur van de GPK is terecht tot twee jaar beperkt omdat dan een eindsituatie in de belastbaarheid van de rechterknie aanwezig zal zijn. 26/127 BABW, 26/764 BABW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 december 2025, 25/655 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (college) Datum uitspraak: 30 juli 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en ziet bovendien aanleiding om ook direct uitspraak op het hoger beroep te doen. Het college heeft de geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier terecht beperkt tot een periode van twee jaar. PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend. Het college heeft zowel in de bodemzaak als in de voorlopige voorziening een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juli 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.F. Vos en mr. S.H.M. Smeets. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Verzoekster heeft op 15 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een passagier. Op 20 augustus 2024 heeft een arts van Trompetter & Partners geadviseerd de aanvraag voor een GPK toe te kennen voor de duur van twee jaar. Volgens deze arts is verzoekster niet in staat om een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten lopend af te leggen met gebruik van loophulpmiddelen en is zij voor het lopen van een korte afstand in alle omstandigheden aangewezen op doorlopende begeleiding. Zij voldoet hiermee aan de voorwaarden voor een GPK voor een passagier. Een geldigheidsduur van twee jaar wordt geadviseerd, omdat dan een eindsituatie in de belastbaarheid van de rechterknie aanwezig zal zijn. 1.2. Het college heeft met een besluit van 18 oktober 2024, onder verwijzing naar het medisch advies van 20 augustus 2024, de aanvraag voor een GPK voor een passagier toegewezen voor de duur van twee jaar. Met een besluit van 11 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2024 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van verzoekster 3. Verzoekster is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij voert aan dat het college de geldigheidsduur van de aan haar verstrekte GPK ten onrechte heeft beperkt tot twee jaar. Het oordeel van de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening en het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Als tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Daarvan is in deze zaak voldoende gebleken. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingediend nadat haar was gebleken dat haar hoger beroep niet behandeld zal worden binnen de termijn waarin haar GPK verloopt. Gelet op het feit dat de GPK op korte termijn zal verlopen, is er voldoende spoedeisend belang. 4.2. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het hoger beroep (de hoofdzaak), kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich in deze zaak voor en er zijn geen redenen om niet onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De beoordeling van de hoofdzaak (26/127 BABW) 5. In de hoofdzaak beoordeelt de voorzieningenrechter of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Verzoekster wordt gevolgd in haar standpunt dat de door haar aan het college toegestuurde verklaring van de huisarts van 5 juli 2024 door het college aan de rechtbank had moeten worden toegezonden en dat rechtbank ten onrechte heeft geweigerd deze verklaring alsnog bij het college op te vragen. Het betreft hier namelijk een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat de verklaring van de huisarts in hoger beroep alsnog is overgelegd, ziet de Raad hierin echter geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak. 5.2. Een GPK wordt in beginsel voor vijf achtereenvolgende jaren verleend. Indien er echter een redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de termijn gedurende welke de gehandicapte in aanmerking komt voor een GPK, korter zal zijn dan vijf jaren, wordt de geldigheidsduur daarvan beperkt tot die termijn . 5.3. Met de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college aan verzoekster terecht een GPK voor een passagier heeft verstrekt voor de duur van twee jaar. Het college heeft zich hierbij mogen baseren op het medische advies van de arts van Trompetter & Partners. De arts heeft met verzoekster gesproken en het functioneren en het bewegingspatroon van verzoekster geobserveerd. Verder heeft hij kennis genomen van een toelichting van verzoekster en van een schriftelijke verklaring van de huisarts. De arts heeft het niet nodig gevonden om verdere medische informatie op te vragen, omdat de aspecten die moeten worden beoordeeld uit het onderzoek voldoende duidelijk zijn geworden. Op basis van zijn bevindingen heeft de arts vastgesteld dat verzoekster een loopstoornis heeft als gevolg van diverse medische problemen. Er is sprake van degeneratieve gewrichtsproblematiek. Verder heeft zij na een val in december 2023 orthopedisch letsel van de rechterknie opgelopen, waarvoor zij is behandeld met een ingreep. Ook heeft zij een al lang bestaande aandoening van het evenwichtsorgaan. De combinatie van de problematiek maakt dat verzoekster bij het lopen is aangewezen op steunname en hulp van derden. Het zelfstandig een afstand lopen, zeker in een wat drukkere omgeving, is voor verzoekster niet mogelijk. Er is overwegend sprake van duurzame medische problematiek. De toename van de (loop)problematiek door de relatief recent opgetreden knieproblematiek speelt in het zelfstandig verplaatsen een belangrijke rol. Voor wat betreft deze problematiek is er nog geen medische eindsituatie. Het beloop in relatie tot het zelfstandig lopen moet worden afgewacht. De arts heeft vanwege de prognose geadviseerd een GPK voor een passagier voor twee jaar te verlenen. Dan is er een eindsituatie in de belastbaarheid van de rechterknie. 5.4. De voorzieningenrechter ziet geen reden voor het oordeel dat het medisch advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van de arts van Trompetter & Partners. De stukken van de huisarts bieden geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. In de verklaring van de huisarts van 5 juli 2024, die de arts bij zijn beoordeling heeft betrokken, is opgenomen dat verzoekster bekend is met zeer ernstige evenwichtsproblematiek die haar in combinatie met een aantal anders factoren, vooral sinds een patella fractuur in december 2023, afhankelijk maakt van benodigde continue begeleiding bij het buiten lopen. Deze verklaring stemt overeen met het advies van de arts van Trompetter & Partners. Ook de in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts van 19 juni 2026 geeft geen aanleiding tot twijfel. Daargelaten dat deze informatie is van na de periode die hier in geding is – die loopt tot en met 11 februari 2025 (de datum van het bestreden besluit) – blijkt uit deze informatie niet dat de huisarts vindt dat de evenwichtsproblemen leiden tot continue begeleiding bij het lopen. De huisarts vermeldt slechts dat de in zijn verklaring van 5 juli 2024 aangehaalde evenwichtsproblematiek na herstel van de patella fractuur zeker niet is verbeterd. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 6. Gelet hierop wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 7. In wat is overwogen in 5.2 bestaat aanleiding om te bepalen dat het college het door verzoekster in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep: bevestigt de aangevallen uitspraak; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; bepaalt dat het college aan verzoekster het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 147,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026. (getekend) L.M. Tobé (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:81, eerste lid Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 8:86, eerste lid Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Artikel 8:108, eerste lid Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74. Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer Artikel 49, eerste lid Aan een gehandicapte kan, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt. Artikel 51 1. Behoudens het tweede en het derde lid is een gehandicaptenparkeerkaart geldig voor de duur van vijf achtreenvolgende jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte; 2. Indien redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de termijn gedurende welke de gehandicapte in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart, korter zal zijn dan vijf jaren, beperkt het gezag dat bevoegd is tot de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten, de geldigheidsduur tot die termijn. 3. (…) Regeling gehandicaptenparkeerkaart Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b Voor een gehandicaptenparkeerkaart kunnen in aanmerking komen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder . Artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb. Artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Artikel 51 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.