Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-02
ECLI:NL:CRVB:2026:998
24/2495 PW, 25/1711 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 1 oktober 2024, 24/311 (aangevallen uitspraak 1) en van 18 juli 2025, 24/6079 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college) Datum uitspraak: 2 juli 2026 SAMENVATTING Het gaat in zaak 24/2495 PW om een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellanten omdat zij volgens de rechtbank geen procesbelang (meer) hebben. In zaak 25/1711 PW gaat het om een niet-ontvankelijkverklaring van drie bezwaren van appellanten omdat deze bezwaren volgens het college niet zijn gericht tegen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast gaat het in die zaak om een maandelijkse inhouding van bijstand in verband met de algemene heffingskorting minstverdienende partner 2024 en een terugvordering van bijstand in verband met de naderhand uitbetaalde algemene heffingskorting minstverdienende partner 2023. Appellanten vinden dat zij wel procesbelang hebben, dat de uitkeringsspecificaties en het emailbericht besluiten zijn waartegen bezwaar kan worden gemaakt en dat het college bij de inhouding en terugvordering de Participatiewet (PW) niet goed heeft uitgevoerd. Volgens appellanten hebben zij een individueel uitkeringsrecht en heeft het college de rekenregels over de afdracht van loonbelasting niet op de juiste wijze toegepast. Appellanten krijgen, net als bij de rechtbank, geen gelijk. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft [gemachtigde 1] hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. De Raad heeft in zaak 24/2495 PW in een regiebrief van 9 juli 2025 aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil voorshands ziet. Partijen hebben op deze brief gereageerd. Appellanten hebben nadere stukken ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Bodegom en H.S. Groot. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellanten ontvangen sinds 30 maart 2016 bijstand op grond van de PW, in aanvulling op de uitkering van appellante op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). 1.2 Op 20 mei 2023 heeft de Belastingdienst aan appellante een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen over het jaar 2022 (aanslag IB 2022) opgelegd met een te betalen bedrag van € 180,-. Op 22 juni 2023 heeft de Belastingdienst aan appellant een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2022 opgelegd met een te ontvangen/verrekenen bedrag van € 667,- wegens algemene heffingskorting minstverdienende partner. Laatstgenoemd bedrag heeft de Belastingdienst verrekend met een nog openstaande belastingschuld. 1.3 Appellante heeft op 31 juli 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor de te betalen aanslag IB 2022 van € 180,-. Met een besluit van 3 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. De aanslag IB 2022 is weliswaar het gevolg van een administratieve fout van het college, maar door deze fout heeft appellant een hogere belastingteruggave over 2022 ontvangen. Deze teruggave is inkomen waarover appellant redelijkerwijs kan beschikken. Dat het bedrag van de teruggave over 2022 niet op de bankrekening van appellanten is bijgeschreven maar is verrekend met een belastingschuld, maakt dat niet anders. Appellanten had Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regelgeving die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Aangevallen uitspraak 1 4.1. Appellanten voeren – samengevat – aan dat zij procesbelang hebben behouden omdat tot op heden nog steeds sprake is van systeemfouten in de uitkeringsadministratie van het college. Dat het college de jaaropgave 2022 van appellante heeft gecorrigeerd zodat de aanslag IB 2022 op nihil is gesteld, betekent volgens appellanten niet dat het correct is gebeurd. Doordat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk heeft beoordeeld, is de oorzaak van de fouten niet aangepakt. Deze fouten worden ook gemaakt in de jaren 2023 en 2024. Ondanks dat de financiële pleister is geplakt, knaagt deze zaak. Deze beroepsgrond slaagt om de navolgende reden niet. 4.1.1. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen. Ook kan geen procesbelang worden ontleend aan de omstandigheid dat het bestuursorgaan geen vergoeding heeft toegekend voor de door betrokkene gemaakte kosten in bezwaar, als het bestuursorgaan het primaire besluit heeft gehandhaafd en het beroep daartegen ongegrond is verklaard. 4.1.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten geen procesbelang meer hebben bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Door de vermindering van de aanslag IB 2022 van appellante zijn de kosten van € 180,- komen te vervallen waardoor de kosten zich niet (meer) voordoen. Dit betekent dat de aanvraag om bijzondere bijstand niet meer kan worden toegewezen en belang ontbreekt. Wat appellanten onder 4.1 aanvoeren, is louter een principieel belang. Dat is gelet op 4.1.1 onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Overigens heeft het college in de door hem gemaakte fout aanleiding gezien appellanten tegemoet te komen door geen gebruik te maken van de bevoegdheid om het onder 1.2 vermelde inkomen van appellant bestaande uit de teruggave 2022 van appellanten terug te vorderen. Aangevallen uitspraak 2 Uitkeringsspecificaties van mei 2024, juni 2024 en het emailbericht van 4 juni 2024. 4.2. Appellanten voeren aan dat het emailbericht van de consulent en de uitkeringsspecificaties besluiten zijn omdat daarin beslissingen worden genomen die gericht zijn tot appellanten. In het emailbericht worden ook bedragen genoemd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang. 4.2.1. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat staat in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. 4.2.2. De rechtbank heeft gewezen op vaste rechtspraak dat aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. 4.2.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de betaling van bijstand over mei De hoogte van die belasting, premie of bijdrage vloeit niet voort uit de PW; ook vloeit daaruit niet voort wie als belastingplichtige moet worden aangemerkt. Dat behoort in beginsel tot het domein van het belastingrecht en daartoe is de belastingrechter bevoegd. Om de gemeenten en de Svb te helpen en te instrueren bij hun taak als inhoudingsplichtige geeft de Belastingdienst jaarlijks de Rekenregels uit. De Rekenregels hebben volgens vaste rechtspraak wel betekenis voor de toepassing van de PW bij brutering van de terugvordering op grond van artikel 58, vijfde lid, van de PW. In dit geval gaat het echter niet om brutering van een terugvordering. 4.3.3. Uit paragraaf 3.1 van de Rekenregels volgt dat in gevallen waarin bijstand wordt verstrekt aan gehuwden en daarmee gelijkgestelden, voor toepassing van de Rekenregels voor beide partners een gelijke aanspraak op de (aanvullende) bijstand bestaat. Hierbij is niet van belang aan wie van de partners de bijstand wordt uitbetaald. Dit betekent dat voor het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw het rekenvoorschrift voor elk van de partners moet worden toegepast. Deze individuele benadering geldt ook voor de definitieve vaststelling na afloop van het kalenderjaar. Daarbij moet de loonheffingskorting (en het eventueel al gebruikte deel daarvan) per partner individueel worden berekend. 4.3.4. In paragraaf 3.2 is een rekenvoorschrift loonbelasting/premie volksverzekeringen voor uitkeringen op grond van de PW opgenomen. Dit luidt als volgt. “ Het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstand vindt in beginsel in 2 fasen plaats. 1e fase Gedurende het jaar gebruikt u voor de bepaling van de loonbelasting/premie volksverzekeringen het bijstandspercentagetarief van tabel 2 in paragraaf 3.2.1. De uitkomsten van deze berekeningen hebben een voorlopig karakter. 2e fase Aan het einde van het jaar bepaalt u de definitieve loonbelasting/premie volksverzekeringen door herrekening. Daarbij brengt u in mindering wat u in fase 1 al voorlopig hebt afgedragen. Het bedrag van de herrekening neemt u op in de aangifte loonheffingen over de maand december van dat jaar. De rekenregels daarvoor staan in paragraaf 3.2.2 en 3.2.3. Let op 1 Als u niet met deze 2 fases wilt rekenen, dan berekent u de loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de methode van fase 2. [….].” 4.3.5. Het college heeft de Rekenregels niet in strijd met de PW toegepast. Uit paragraaf 3.1 van de Rekenregels volgt dat als er bijstand naar de gehuwdennorm wordt verstrekt, voor de berekening van de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen de verleende en dus betaalde bijstand fiscaal gelijkelijk wordt verdeeld over beide partners. Niet relevant daarvoor is aan wie de bijstand feitelijk is uitbetaald. Vervolgens wordt voor iedere partner afzonderlijk de af te dragen loonheffing berekend. Uit paragraaf 3.2 van de Rekenregels volgt dat het college de verschuldigde loonbelasting niet maandelijks hoeft te berekenen. Het college mag er ook voor kiezen alleen aan het einde van het jaar de definitieve loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen. Dat de geïndividualiseerde toepassing van belasting- en premiewetgeving volgens de Rekenregels bij toepassing van de gehuwdennorm van de PW voor de gehuwden, waarvan één ook een ander inkomen heeft, kan leiden tot een terugvordering en verrekening op grond van de PW door de uitbetaling van de heffingskorting minstverdienende partner, maakt op zichzelf nog niet dat de besluitvorming van het college in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Appellanten krijgen namelijk uiteindelijk netto aan bijstand uitbetaald waarop ze recht hebben. De gevolgen voor appellanten wat betreft toeslagen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ligt in deze zaak niet voor. De Raad verwijst in dat kader naar zijn uitspraak over compensatie van die gevolgen en het sinds 1 januari 2025 geldende artikel 7