Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-30
ECLI:NL:CRVB:2026:997
Toekenning van de ziekengeldvergoeding. De Raad is oordeel dat de brief over de toekenning van de ziekengeldvergoeding een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft niet onderkend dat dit besluit is gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid en heeft zich ten onrechte niet beperkt tot een terughoudende toetsing. De Raad acht dit beleid niet onevenredig. Ook is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot een onevenredige uitkomst voor betrokkene. De Raad is daarom van oordeel dat het besluit over de toekenning van de ziekengeldvergoeding in stand kan blijven. Betrokkene heeft geen recht op een aanvullende dwangsom. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2024, 23/5536 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 december 2025, 24/7098 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) [betrokkene] (betrokkene) Datum uitspraak: 30 juli 2026 SAMENVATTING In deze zaak oordeelt de Raad dat de brief over de toekenning van de ziekengeldvergoeding een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft niet onderkend dat dit besluit is gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid en heeft zich ten onrechte niet beperkt tot een terughoudende toetsing. De Raad acht dit beleid niet onevenredig. Ook is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot een onevenredige uitkomst voor betrokkene. De Raad is daarom van oordeel dat het besluit over de toekenning van de ziekengeldvergoeding in stand kan blijven. Verder beslist de Raad dat betrokkene geen recht heeft op een aanvullende dwangsom. PROCESVERLOOP De Svb heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 . De Svb en betrokkene hebben hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2. De Svb heeft op 4 november 2025 gereageerd op vragen van de Raad. De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 18 juni 2026. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. van der Vlist en mr. N. Diamant. Betrokkene is niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene, geboren in 1979, ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor huishoudelijke hulp. De huishoudelijke hulp wordt verleend door een zorgverlener met wie betrokkene een zorgovereenkomst heeft gesloten. Betrokkene heeft op 23 februari 2022 bij de Svb gemeld dat haar zorgverlener sinds 17 februari 2022 ziek is. Met ingang van 28 april 2022 is de zorgverlener hersteld gemeld. 1.2. Met een brief van 28 februari 2022 heeft de Svb betrokkene laten weten dat zij geen ziekengeldvergoeding krijgt over de periode van 17 februari 2022 tot en met 22 februari 2022, omdat betrokkene de ziekmelding niet tijdig heeft doorgegeven. Met brieven van respectievelijk 4 maart 2022 en 5 april 2022 heeft de Svb de ziekengeldvergoeding aan betrokkene over de maanden februari en maart 2022 vastgesteld. In de laatste brief heeft de Svb vastgesteld dat de laatste dag van de vergoeding 30 maart 2022 is. 1.3. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 5 april 2022. Zij vindt dat zij recht heeft op een vergoeding over een periode van in totaal 6 weken, ingaande 23 februari 2022. 1.4. Met een besluit van 13 juli 2023 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard en de beslissing van 28 februari 2022 gehandhaafd. Daarbij heeft de Svb overwogen dat in de brief van 22 februari 2022 is uiteengezet dat de ziekmelding te laat was, waardoor betrokkene geen ziekengeldvergoeding krijgt tot en met 22 februari 2022. Met de brieven van 4 maart 2022 en 5 april 2022 heeft de Svb laten weten het pgb met € 26,25 te zullen aanvullen over de maand februari 2022 en met € 105,00 over de maand maart 2022. Omdat de ziekmelding te laat is gedaan wordt de periode 17 februari 2022 t/m 22 februari 2022 niet gecompenseerd. De compensatie heeft om deze reden voor vijf weken plaats gevonden. Dee werkdag van 17 februari 2022 valt dus af van de zes weken. 1.5. Met een afzonderlijk besluit van 13 juli 2023 heeft de Svb betrokkene een dwangsom toegekend van € 1442,00 in verband met het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 5 april 2022. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat wettelijke rente ontbreekt. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb betrokkene met een besluit van 2 januari 2024 een bedrag van € 230,26 aan wettelijke rente toegekend. Ook heeft de Svb met een besluit van 11 juli 2024 betrokkene een aanvullende dwangsom toegekend van € 1442,00. 1.6. Met een besluit van 14 oktober 2024 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2024 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft geen recht op een extra dwangsom. Uitspraken van de rechtbank 2. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de Svb een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vraag die voorligt is of de Svb bij het verstrekken van ziekengeldvergoeding terecht is uitgegaan van de eerste ziektedag. Niet in geschil is dat de zorgverlener langer dan zes weken ziek is geweest en dat loon is doorbetaald. Volgens de rechtbank is, ondanks de toelichting van de Svb waarbij is verwezen naar artikel 2b, tiende lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de grondslag van het bestreden besluit onduidelijk gebleven. Uit deze artikelen volgt niet dat voor de aanvang van de periode van zes weken moet worden uitgegaan van de eerste ziektedag. Voor het ingaan van de vergoedingstermijn geldt volgens de rechtbank de datum van aanvraag. Voor zover de Svb nog heeft gewezen op haar website, waarop is vermeld dat een ziekmelding binnen 24 uur moet worden gemeld, en dat betrokkene daarmee bekend had kunnen zijn, kan dit niet als grondslag voor de bepaling van de aanvang van de vergoedingstermijn gelden. Het is overigens ook niet gebleken dat de consequentie van een niet tijdige ziekmelding is vermeld. Volgens de rechtbank is om die reden geen sprake van een zorgvuldig genomen besluit dat voorzien is van een deugdelijke motivering. 2.1. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar van betrokkene tegen de toekenning van de ziekengeldvergoeding van 5 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de Svb het griffierecht aan betrokkene moet vergoeden. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 februari 2025 , overwogen dat de toekenning van de ziekengeldvergoeding van 5 april 2022 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom kon tegen het uitblijven van een (tijdige) reactie van de Svb ook geen beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden aangewend. Het standpunt van de Svb 3. De Svb is het niet eens met aangevallen uitspraak 1. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingen van de Svb aan de budgethouder tijdens ziekte van de zorgverlener berusten op een bestendige uitvoeringspraktijk die is aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. De rechtbank heeft hierbij ten onrechte een vergaande inhoudelijke toetsing toegepast. Het beleid is rechtmatig. Verder bestrijdt de Svb dat het beleid en daarmee de gevolgen van het te laat doorgeven van een ziekmelding van de zorgverlener niet kenbaar zijn. 3.1. De Svb is het ook niet eens met aangevallen uitspraak 2. De Svb heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de toekenning van de ziekengeldvergoeding van 5 april 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hierbij heeft de Svb erop gewezen dat de Raad een vergelijkbare toekenning in de uitspraak van 26 juni 2019 heeft aangemerkt als een besluit. In de uitspraak van de Raad van 13 februari 2025 was geen sprake van eenzelfde situatie. Verder blijft de Svb bij het standpunt dat er geen (extra) dwangsom is verschuldigd. Het standpunt van betrokkene 3.2. Ook betrokkene is het niet eens met aangevallen uitspraak 2. Zij is ook van mening dat de toekenning van de ziekengeldvergoeding van 5 april 2022 wel een besluit is. Hierbij heeft zij erop gewezen dat over de beslissing over de ziekengeldvergoeding in aangevallen uitspraak 1 een inhoudelijk oordeel is gegeven. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraken aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De wettelijke regels die voor de beoordeling belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen slagen. Toekenning van de ziekengeldvergoeding 4.1. De Raad stelt voorop dat uit de gedingstukken blijkt dat het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 5 april 2022 tevens is aangemerkt als een bezwaar tegen de brief van 28 februari 2022. De Svb heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat met het bestreden besluit 1 is beoogd te beslissen op de bezwaren van betrokkene tegen de ziekengeldvergoeding over de periode 17 februari tot 31 maart 2022 en daarmee op de bezwaren tegen de brieven van 28 februari 2022 en van 5 april 2022. Uit de gedingstukken blijkt dat ook betrokkene hiervan is uitgegaan. Over dit geschil heeft de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 een inhoudelijk oordeel gegeven. Dit heeft de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 niet onderkend. 4.2. Op grond van artikel 2.6.2, eerste lid, van de Wmo 2015 heeft de Svb als taak om namens de colleges de betalingen ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit te voeren. Regels over de uitvoering van deze taak zijn, voor zover hier van belang, neergelegd in artikel 2b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Deze artikelen zien hoofdzakelijk op het vervullen van taken door de Svb rondom het beheer van het door de gemeente verstrekte pgb en bieden geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van een ziekengeldvergoeding door de Svb. 4.3. De Svb verstrekt niettemin in geval van ziekte van een zorgverlener met een arbeidsovereenkomst van drie dagen of minder, aan de budgethouder een vergoeding voor het loon van de zieke zorgverlener voor de duur van maximaal 6 weken vanaf de eerste ziektedag. De budgethouder moet binnen één werkdag de ziekmelding van de zorgverlener doorgeven. In dat geval kent de Svb de vergoeding toe vanaf de eerste ziektedag. Geeft de budgethouder de ziekmelding niet tijdig door, dan betaalt de Svb de vergoeding pas vanaf het moment dat de ziekmelding is doorgegeven aan de Svb. De periode van de eerste ziektedag tot aan de dag van het doorgeven aan de Svb komt dan voor rekening van de budgethouder. 4.4. Budgethouders worden er in een toelichting bij de zorgovereenkomst en via informatie op de website van de Svb op gewezen dat een ziek- en betermelding van de zorgverlener binnen 24 uur aan de Svb moet worden doorgegeven en dat het niet tijdig doorgeven van een ziekmelding financiële gevolgen kan hebben. 4.5. De door de Svb verstrekte vergoeding is uitsluitend gebaseerd op een passage in de toelichting bij het toenmalige artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo . Hierin is vermeld dat het budget, op grond van de pgb-beschikking, via de Svb gecompenseerd wordt voor het bedrag dat een budgethouder kwijt is doordat hij een zieke werknemer heeft die hij op grond van artikel 7:629 BW moet doorbetalen. Het gaat hier om beleid in de vorm van een vaste gedragslijn, die de Svb in haar uitvoeringspraktijk hanteert en dat is aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit heeft de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 niet onderkend. 4.6. Buitenwettelijk begunstigend beleid kan dienen als buitenwettelijke bevoegdheidsgrondslag voor het nemen van besluiten. Een beslissing die op basis van het beleid van de Svb is genomen en beoogt een financiële aanspraak toe te kennen (rechtsgevolg) of te onthouden aan de budgethouder is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De onder 1.2 genoemde brieven zijn dus besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit is een andere situatie dan aan de orde is in de uitspraak van 13 februari 2025 , waarin het ging om een weigering van de Svb om ondersteuning te bieden bij het verkrijgen van een uitkering bij de zorgverzekeraar. Het bieden van ondersteuning is niet gericht op rechtsgevolg en daarom aan te merken als een feitelijke handeling. Dit betekent dat de rechtbank de brief van 5 april 2022 in aangevallen uitspraak 2 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een besluit. 4.7. De wijze van toetsing door de bestuursrechter in gevallen waarin met een concreet bestreden besluit toepassing is gegeven aan buitenwettelijk begunstigend beleid is uiteengezet in de uitspraak van 15 mei 2025. Hieruit volgt dat de bestuursrechter buitenwettelijk beleid desgewenst toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Omdat de beslissingsruimte bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. De beroepsgrond van de Svb dat de rechtbank zich in aangevallen uitspraak 1 niet heeft beperkt tot deze toetsing, slaagt dan ook. 4.8. De Raad ziet in wat betrokkene naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid om voor de aanvang van de verstrekking van de ziekengeldvergoeding aansluiting te zoeken bij de eerste ziektedag van de zorgverlener in plaats van de datum van de aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Svb heeft er gelet op de grote beleidsruimte die de Svb heeft voor mogen kiezen om de periode van 6 weken waarvoor de Svb een ziekengeldvergoeding kan toekennen, gelijk te stellen aan de periode waarvoor op grond van 7:629 BW een loondoorbetalingsverplichting geldt, welke periode aanvangt op eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Ook zijn het stellen van een termijn waarbinnen de ziekmelding moet zijn doorgegeven aan de Svb en de consequenties van een niet tijdige melding niet onevenredig. De Svb heeft er in dit verband op gewezen dat het van belang is om een tijdige ziekmelding te doen, zodat de budgethouder en de zorgverlener aan hun verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter kunnen voldoen en de arbodienst op korte termijn kan beoordelen of en vanaf welk moment de zorgverlener arbeidsongeschikt is (geworden), omdat dit vaak niet met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld. Op deze wijze wordt er voor gezorgd dat er niet ten onrechte loon wordt uitbetaald over de dagen dat de zorgverlener daarop geen recht had en dat er niet ten onrechte een compensatie in de vorm van een ziekengeldvergoeding plaatsvindt. 4.9. Niet in geschil is dat de Svb in het bestreden besluit heeft gehandeld overeenkomstig het beleid en dat betrokkene bekend was met dit beleid en de mogelijke gevolgen van toepassing daarvan. Betrokkene heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit 1 in haar geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Mede gelet op wat in 4.8 is overwogen is de Raad, anders dan de rechtbank, daarom van oordeel dat bestreden besluit 1 in stand kan blijven. Vaststelling van hoogte van de dwangsom 4.10. Artikel 4:19, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat het bezwaar, beroep, of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Dit betekent dat het door betrokkene ingestelde beroep of hoger beroep over bestreden besluit 1 moest worden geacht mede gericht te zijn tegen de besluiten van de Svb over de dwangsom, voor zover betrokkene zich daarin niet kon vinden. 4.11. Het geschil over de vaststelling van de hoogte van de dwangsom beperkt zich in hoger beroep tot het besluit van 11 juli 2024. Betrokkene heeft de Svb met een brief van 20 augustus 2024 laten weten zich niet in dit besluit te kunnen vinden. Betrokkene had op 15 augustus 2024 al hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank over bestreden besluit 1. Na het instellen van hoger beroep was de Svb niet langer bevoegd om te beslissen op de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 11 juli 2024, zodat bestreden besluit 2 alleen al om die reden geen stand kon houden. De Svb had deze bezwaren met toepassing van artikel 6:15 van de Awb moeten doorzenden aan de Raad. Ook brengt dit met zich dat de rechtbank het beroepschrift had moeten doorzenden aan de Raad. Dit heeft de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 niet onderkend. 4.12. De Raad zal de bezwaren die betrokkene in bezwaar en beroep tegen het besluit van 11 juli 2024 naar voren heeft gebracht met toepassing van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb betrekken in de beoordeling. De Svb heeft met dit besluit al de maximale dwangsom toegekend van € 1.442,00. Ten overvloede wijst de Raad erop dat volgens vaste rechtspraak geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Betrokkene heeft dus geen recht op een aanvullende dwangsom. Conclusie en gevolgen 4.13.1. Het hoger beroep van de Svb tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt, gelet op wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.9. De Raad zal aangevallen uitspraak 1 vernietigen. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal ongegrond worden verklaard. 4.13.2. De hoger beroepen van de Svb en betrokkene tegen aangevallen uitspraak 2 slagen, gelet op wat is overwogen in 4.1. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad aangevallen uitspraak 2 geheel vernietigen, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht. Ook het bestreden besluit 2 wordt vernietigd, gelet op wat is overwogen in 4.11. De Raad zal het beroep tegen het besluit van 11 juli 2024 ongegrond verklaren. 5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Wel moet de Svb aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 147,00 vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt aangevallen uitspraak 1; - verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2023 ongegrond; - vernietigt aangevallen uitspraak 2, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht; - vernietigt het besluit van 14 oktober 2024; - verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juli 2024 ongegrond; - bepaalt dat de Svb aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 147,00 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026. (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) A.A. Verweij Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Artikel 2.6.2 1. De Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voert namens de colleges de betalingen ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de Sociale verzekeringsbank de taak, bedoeld in het eerste lid, uitvoert. (…). Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 Artikel 5.3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet door de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Uitvoeringsregeling Wmo 2015 Artikel 2b 1. De Sociale verzekeringsbank voert het budgetbeheer, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet, uit: a. overeenkomstig de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget, bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet; en b. overeenkomstig een door de cliënt met een derde gesloten overeenkomst of verklaring of een verklaring als bedoeld in artikel 2ab, die overeenkomstig respectievelijk de artikelen 2a of 2ab is goedgekeurd. 2. In het kader van het budgetbeheer draagt de Sociale verzekeringsbank voor zover deze verschuldigd zijn loonbelasting, premies voor de sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet af, tenzij het gaat om tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 2ab. 3. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget voor overeengekomen maatschappelijke ondersteuning die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst voor vervoer, uitsluitend aan de derde (…). (…) 10. De Sociale verzekeringsbank ondersteunt de cliënt bij zijn werkgeverstaken waaronder ten aanzien van arbeidsomstandighedenregelgeving, zaakschade en aansprakelijkheid. (…) Burgerlijk Wetboek Boek 7 Artikel 629 1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was. 2. In afwijking van het eerste lid geldt het in dat lid bedoelde recht voor een tijdvak van zes weken voor de werknemer die: a. doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat; (…) 9. Van dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft. ECLI:NL:CRVB:2025:311. ECLI:NL:CRVB:2019:2470. Vergelijk de uitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2470. Uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700. ECLI:NL:CRVB:2025:311. ECLI:NL:CRVB:2025:700, rechtsoverwegingen 4.9.2 tot en met 4.9.2.3. Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815.