Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-22
ECLI:NL:CRVB:2026:994
Ontzegging WW-uitkering. Appellante verbleef in het buitenland anders dan wegens vakantie. Geen verboden onderscheid. Beschikbaarheid Europees Nederlandse arbeidsmarkt. Uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is volledig van toepassing voor Caribisch Nederland. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/616 WW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2025, 24/1936 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (Bonaire) (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 juli 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv appellante terecht per 10 november 2023 een WW-uitkering heeft ontzegd, omdat zij op en na deze datum buiten Nederland verblijf hield anders dan wegens vakantie. Volgens appellante is onder meer sprake van verboden onderscheid naar woonplaats en is sprake van discriminatie in de zin van artikel 14 van het EVRM. Verder is volgens haar sprake van misbruik van artikel 4 van de Invoeringswet BES. Tenslotte heeft appellante met een beroep op het evenredigheidsbeginsel gesteld dat de betreffende bepaling uit de WW buiten toepassing moet worden gelaten. De Raad volgt de standpunten van appellante niet. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraagstelling van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut en Y. Huisman. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellante komt oorspronkelijk uit Curaçao. Zij is op 17-jarige leeftijd naar Nederland gekomen. Zij heeft in Nederland geneeskunde gestudeerd en de specialisatie tot huisarts gevolgd. Appellante heeft vanaf [datum] 2021 gewerkt op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst bij [naam Stichting], de werkgever voor artsen in opleiding. Na afloop van haar tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft appellante op 3 november 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 10 november 2023. Appellante heeft daarbij gevraagd om toestemming om gedurende zes maanden werkzaamheden als zelfstandige te verrichten (de startersregeling). Appellante is in november 2023 verhuisd naar Bonaire en is daar als zelfstandig huisarts gaan werken. Vanaf 27 november 2023 is appellante uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (BRP). Ten tijde van de WW-aanvraag verbleef appellante al op Bonaire. 1.2. Bij besluit van 7 november 2023 heeft het Uwv die aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij op 10 november 2023 buiten Nederland verblijf houdt, anders dan wegens vakantie. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 november 2023 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat voor appellante geen recht op een WWuitkering is ontstaan, omdat zij met ingang van de eerste werkloosheidsdag buiten Nederland verbleef, anders dan wegens vakantie. Verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie is een uitsluitingsgrond voor het recht op een WW-uitkering. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 30 augustus 2023 heeft het Uwv overwogen dat er geen ruimte is om rekening te houden met de individuele omstandigheden van appellante. Omdat voor appellante per 10 november 2023 geen recht op een WW-uitkering is ontstaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een startersregeling ingevolge de WW. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft overwogen dat in de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Invoeringswet BES), onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk. Artikel 4 van deze wet maakt duidelijk dat onder ‘Nederland’ wordt verstaan het Europese deel van Nederland en dat de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba worden gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Invoeringswet BES dat in artikel 4 een algemene regel is vervat, die inhoudt dat in gewone Nederlandse wetgeving die niet in de openbare lichamen van toepassing wordt, onder Nederland uitsluitend wordt verstaan het Europese deel van Nederland. De rechtbank heeft geoordeeld dat de tekst van artikel 4 van de Invoeringswet BES niet dwingt tot een tegenovergestelde uitleg voor een voorschrift waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, in die zin dat aan Nederland een staatkundige uitleg zou moeten worden gegeven, zoals appellante heeft aangevoerd. Deze uitleg verdraagt zich ook niet met de algemene regel in de wetsgeschiedenis dat in gewone Nederlandse wetgeving onder Nederland het Europese deel van Nederland wordt verstaan. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW zo dient te worden uitgelegd dat met ‘Nederland’ slechts het Europese deel van Nederland wordt bedoeld. 2.2. De rechtbank heeft appellante ook niet gevolgd in haar standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het twaalfde Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1 van de Grondwet omdat sprake is van discriminatie op grond van woonplaats of maatschappelijke afkomst. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW vooral werklozen afkomstig uit Caribisch Nederland zou treffen. Deze uitsluitingsgrond is in het leven geroepen in het kader van beschikbaarheid voor de Nederlandse arbeidsmarkt en deze wordt ten aanzien van alle werklozen die buiten Europees Nederland verblijven gelijk toegepast. Werklozen die verblijven in of afkomstig zijn uit Caribisch Nederland worden dus gelijk behandeld met alle andere Nederlanders die buiten Europees Nederland verblijven. 2.3. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van schending van het eigendomsrecht van appellante. Onder de term ‘eigendom’ in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM wordt verstaan vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank had appellante op het moment dat zij naar Bonaire vertrok niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen hebben dat aan haar een WW-uitkering toegekend zou worden. Appellante heeft namelijk ter zitting bij de rechtbank verklaard dat zij al maanden voor haar vertrek telefonisch van het Uwv heeft vernomen dat zij bij emigratie naar Bonaire niet in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering. 2.4. Tot slot heeft de rechtbank het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel niet gehonoreerd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW een dwingendrechtelijke bepaling is, die geen ruimte biedt om rekening te houden met de redenen waarom de werknemer buiten Nederland verblijft. Slechts als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever kan dit aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Naast het feit dat appellante in haar beroepschrift heeft aangegeven dat in haar geval geen sprake is van een schrijnende situatie, is de rechtbank ook niet gebleken van dergelijke bijzondere, niet-verdisconteerde omstandigheden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het Uwv appellante terecht heeft geweigerd een WWuitkering toe te kennen per 10 november 2023. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de beperking van de export van een WW-uitkering naar Bonaire berust op een onderscheid naar woonplaats, waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Daarom is volgens appellante sprake van discriminatie in de zin van artikel 14 van het EVRM. Daarnaast is volgens appellante sprake van misbruik van artikel 4 van de Invoeringswet BES, omdat deze bepaling wordt ingezet voor een doel dat buiten de reikwijdte van deze wet valt. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat artikel 4 van de Invoeringswet BES, in samenhang met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e van de WW, leidt tot een onvoorzien en onbedoeld effect dat onevenredig uitpakt voor een kleine groep Nederlandse burgers. Aangezien de territoriale definitie zoals neergelegd in artikel 4 van de Invoeringswet BES niet houdbaar is, dient deze bepaling volgens appellante buiten toepassing te worden gelaten. Volgens appellante is de enige passende juridische oplossing om Nederland staatkundig te definiëren in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, WW, zodat Bonaire als integraal onderdeel van Nederland wordt beschouwd. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De Raad heeft het Uwv een vraagstelling voorgelegd over de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW voor Caribisch Nederland, gelet op de status van de BES-eilanden als bijzondere gemeenten van Nederland. Het Uwv heeft in reactie hierop toegelicht dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW volledig van toepassing is voor Caribisch Nederland. Het oordeel van de Raad 5.1. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.2.1. Met ingang van 10 oktober 2010 zijn de eilandgebieden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba onderdeel van het Nederlandse staatsbestel en vormen deze eilanden openbare lichamen binnen Nederland. Artikel 2 van de Invoeringswet BES regelt welke wettelijke regelingen in deze openbare lichamen van toepassing zijn. In artikel 4 van de Invoeringswet BES is bepaald dat, indien een bepaalde wettelijke regeling niet van toepassing is in de openbare lichamen, en in een dergelijke regeling onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, onder ‘Nederland’ wordt verstaan het Europese deel van Nederland, en worden de openbare lichamen gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk. 5.2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie. Op grond van artikel 4 in verbinding met artikel 2 van de Invoeringswet BES dient genoemd artikel uit de WW zo te worden uitgelegd dat met “Nederland“ het Europese deel van Nederland wordt bedoeld. Niet in geschil is dat appellante op de eerste werkloosheidsdag, 10 november 2023, op Bonaire, dus buiten het Europese deel van Nederland, verblijf hield anders dan wegens vakantie. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW voor appellante per 10 november 2023 geen recht op een WW-uitkering ontstaat. 5.3.1. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW leidt tot een verboden onderscheid op grond van woon- of verblijfplaats, dan wel afkomst en daardoor in strijd is met de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR, omdat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor dit onderscheid. 5.3.2. Niet in geschil is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers die verblijven in het Europese deel van Nederland, en werknemers die verblijven buiten het Europese deel van Nederland, waaronder het Caribisch deel van Nederland. Van een indirect onderscheid op grond van afkomst (ras), zoals door appellante is betoogd, is bij het gemaakte onderscheid naar verblijfplaats geen sprake. Appellante heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd . Wel is sprake van een onderscheid naar verblijfplaats. 5.3.3. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM en de Raad is een onderscheid naar woon- of verblijfplaats geen verdacht criterium. Verder heeft de wetgever in sociale zekerheidszaken een ruime ‘margin of appreciation’. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid met daarin een niet verdacht onderscheid, kan de keuze van de wetgever daarom worden gevolgd, tenzij deze van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste wordt niet snel aanvaard. 5.3.4. Het Uwv heeft toegelicht dat de ratio voor de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, ligt in de beschikbaarheid voor de Europees Nederlandse arbeidsmarkt. De beschikbaarheid voor de Europees Nederlandse arbeidsmarkt hangt samen met de verplichting voor de WW-gerechtigde om passende arbeid te aanvaarden. Gelet op de geografische afstand van de BES-eilanden ten opzichte van Europees Nederland is de persoon die op (één van) de BES-eilanden verblijft niet beschikbaar voor de Europees Nederlandse arbeidsmarkt. Het Uwv heeft daarbij erop gewezen dat de arbeidsmarkt op de BES-eilanden verschilt van de Nederlandse arbeidsmarkt, waardoor voor re-integratie van en dienstverlening aan werklozen op de BESeilanden andere kennis nodig is dan voor de Europees Nederlandse arbeidsmarkt. Ook is van belang dat het Uwv de rechtmatigheid van de WW-uitkering niet kan controleren bij een verblijf op de BES-eilanden omdat aldaar een systeem dat gegevens over inkomens, lonen en dienstverbanden eenduidig en betrouwbaar registreert ontbreekt. Daarmee is er een objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen werknemers in het Caribisch en het Europees deel van Nederland. 5.3.5. Dat appellante verzoekt om toepassing van de startersregeling, waarbij geen sollicitatieplicht geldt, leidt niet tot een ander oordeel. In het kader daarvan dient immers de levensvatbaarheid van het op te zetten bedrijf te worden beoordeeld. Ook voor de startersregeling geldt dat moet worden voldaan aan de vereisten uit de WW waarvoor eveneens geldt dat de kennis daarvan verschilt en de controle op de rechtmatigheid bij een verblijf op de BES-eilanden niet goed mogelijk is. 5.4. Appellante heeft ook aangevoerd dat de beperking van de export van een WWuitkering naar de BES-eilanden een gevolg is dat buiten de doelstelling valt van de Invoeringswet BES, het regelen van de staatkundige overgang en het invoeren van twee afzonderlijke rechtsordes. Daarom dient artikel 4 van de Invoeringswet BES volgens appellante buiten toepassing te worden gelaten en moet ‘Nederland’, zoals genoemd in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW staatkundig worden uitgelegd. Dit standpunt van appellante wordt niet gevolgd. Ingevolge artikel 132a, vierde lid, van de Grondwet is het mogelijk om bij wet- en regelgeving te differentiëren tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland wegens de bijzondere kenmerken van de BES-eilanden, waaronder het insulaire karakter en de geografische afstand tot Europees Nederland. Dat hierdoor een verschil ontstaat tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland wat betreft de mogelijkheid om een WWuitkering te exporteren, is niet in strijd met de doelstelling van de Invoeringswet BES. 5.5.1. Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW en artikel 4 van de Invoeringswet BES zijn dwingendrechtelijke bepalingen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, biedt artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen ruimte om bij de toepassing ervan rekening te houden met de individuele omstandigheden en de redenen waarom de betrokkene buiten Nederland heeft verbleven. Verder staat naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (zogenoemde ‘contralegemtoepassing’). Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. 5.5.2. Uit de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet BES blijkt dat uit pragmatische overwegingen voor een algemene regeling is gekozen, zodat bestaande Nederlandse regelgeving niet hoeft te worden aangepast indien geen afwijking van de algemene regel is beoogd. Deze algemene regel is opgenomen in artikel 4 van de Invoeringswet BES en houdt in dat in de in het Europese deel van Nederland geldende wetgeving die niet van toepassing wordt in de openbare lichamen, onder ‘Nederland’ uitsluitend wordt verstaan: het Europese deel van Nederland. Hoewel hieruit blijkt dat door de wetgever niet expliciet is afgewogen of export van een WW-uitkering naar Caribisch Nederland mogelijk zou moeten zijn, is wel expliciet ervoor gekozen om de WW niet van toepassing te laten zijn in Caribisch Nederland. De stelsels van sociale zekerheid van Europees Nederland en Caribisch Nederland zijn duidelijk gescheiden, ook nadat in 2019 is besloten om over te gaan op het uitgangspunt van ‘comply or explain’. Uit de door appellante overgelegde brief van 22 december 2023 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat gefaseerd te werk zal worden gegaan bij de uitvoering van dit uitgangspunt in Caribisch Nederland, waarbij de passendheid van maatwerkmaatregelen in de lokale context van groot belang is. Dit overstijgt het belang van aansluiting bij de Europees Nederlandse regelingen of stelsels. Uit het voorgaande blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd door de wetgever. 5.6. Hieruit volgt dat het Uwv terecht heeft besloten dat voor appellante per 10 november 2023 geen recht op een WW-uitkering is ontstaan wegens verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie. Conclusie en gevolgen 5.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat ontzegging van de WW-uitkering in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026. (getekend) H.G. Rottier (getekend) S.P.A. Elzer Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Werkloosheidswet Artikel 19 1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die: e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie; […] Invoeringswet BES Artikel 2 1. In de openbare lichamen zijn de doorlopende teksten van de in de bijlage bij deze wet genoemde Nederlands-Antilliaanse regelingen, zoals deze bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober 2010 zijn vastgesteld en ter inzage zijn gelegd bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling van toepassing overeenkomstig de status die de bijlage vermeldt. De regelingen worden in hun aldus verkregen status aangehaald op de wijze die de bijlage vermeldt. 2. Andere wettelijke regelingen dan die, bedoeld in het eerste lid, zijn in de openbare lichamen alleen van toepassing voor zover: a. dit bij wettelijk voorschrift is bepaald; b. op andere wijze onmiskenbaar uit enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften in de openbare lichamen van toepassing zijn. 3. Het tweede lid laat onverlet de toepasselijkheid in de openbare lichamen van wettelijke regelingen die buiten het Europese deel van Nederland werking kunnen hebben. 4. Voorzieningen van overgangsrechtelijke aard die zijn vastgesteld ten aanzien van de in de bijlage genoemde regelingen blijven van toepassing, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Artikel 4 Indien in een wettelijk voorschrift dat niet ingevolge artikel 2, eerste of tweede lid, van toepassing is in de openbare lichamen, onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, onder «Nederland» verstaan het Europese deel van Nederland en worden de openbare lichamen gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 14 Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 1 Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten Artikel 26 Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. CRvB 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1677. Wet van 17 mei 2010 tot invoering van de regelgeving met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Invoeringswet BES). Kamerstukken 2, 31 957, nr. 3, pagina 19. Zie bijvoorbeeld CRvB 19 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1264. Kamerstukken II 2008/09, 31957, nr. 3, p. 19. Zie bijvoorbeeld de arresten van 16 maart 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0316JUD004218405 ( Carson tegen het Verenigd Koninkrijk, 70-71 ) en van 7 november 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1107JUD001044106 ( Pichkur tegen Oekraïne, 47 ). En de uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2091. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1677. Zie de uitspraak van de Raad van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622, en de uitspraak van de ABRvS van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11 en volgende. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:38. Kamerstukken II 2008/09, 31957, nr. 3, p. 19.