Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-18
ECLI:NL:CRVB:2026:975
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1349 AOW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 mei 2024, 23/1787 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 18 juni 2026 SAMENVATTING De Svb heeft terecht een korting toegepast op het AOW-pensioen van appellant in verband met nietverzekerde tijdvakken. Appellant was onder meer niet verzekerd voor de AOW in de periode waarin hij in Nederland woonde en buiten de Europese Unie werkte voor een in Zwitserland gevestigde onderneming. Op grond van Vo 1408/71, Vo 883/2004 en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie was op appellant in deze periode niet de Nederlandse maar de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde ten tijde in geding in Nederland. Hij was, voor zover in dit geding relevant, van 26 januari 1991 tot en met 26 december 2012 in dienst bij [naam onderneming] , een in Zwitserland gevestigde onderneming. Hij was voor die onderneming werkzaam op schepen die voeren onder Panamese vlag en werkte in landen buiten de Europese Unie. 1.2. Met een besluit van 4 november 2021 heeft de Svb aan appellant met ingang van 12 december 2021 een AOW -pensioen toegekend met een korting van 60% in verband met niet-verzekerde tijdvakken voor de AOW. Appellant is onder meer niet verzekerd geacht in de onder 1.1 genoemde periode. 1.3. Met een besluit van 24 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2021 ongegrond verklaard. De Svb heeft in dat besluit vastgesteld dat de korting vanaf augustus 2023 62% moet bedragen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de Svb appellant terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW in de periode tussen 1 juni 2002, toen Vo 1408/71 van toepassing werd op Zwitserland, tot en met 26 december 2012. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) de situatie van appellant in de hele periode in geding werd beheerst door de Europese coördinatieverordeningen. Appellant woonde toen in Nederland en werkte, buiten de Europese Unie, voor een in Zwitserland gevestigde werkgever. Er zijn voldoende aanknopingspunten met de vestigingsplaats van de werkgever om deze verordeningen van toepassing te doen zijn. In die situatie was op appellant tot 1 april 2012 Vo 1408/71 van toepassing en vanaf 1 april 2012 Vo 883/2004. Degenen op wie deze verordeningen van toepassing zijn, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke wetgeving dat is, wordt in diezelfde verordeningen geregeld. De periode van 1 juni 2002 tot 1 april 2012 4.3. Volgens de Ook de Raad ziet hiertoe geen aanleiding. In dat verband wordt opgemerkt dat ook deze uitspraak vatbaar is voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat de Raad op grond van artikel 267 VWEU niet gehouden is tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof. 4.7. Dit betekent dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant in deze periode onderworpen was aan Zwitserse socialeverzekeringswetgeving en appellant terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW. De periode van 1 april 2012 tot 26 december 2012 4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op grond van het overgangsrecht in artikel 87, achtste lid, van Vo 883/2004 onderworpen is gebleven aan de wetgeving die laatstelijk onder Vo 1408/71 was aangewezen. Dit leidt ertoe dat appellant ook in deze periode onderworpen was aan Zwitserse wetgeving en de Svb appellant daarom terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW. Conclusie en gevolgen 4.9. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de korting op het AOW-pensioen in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) C.C.M. van ’t Hol Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene Ouderdomswet Artikel 6 1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; (…) Artikel 6a Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Vo 1408/71 Artikel 13 Algemene regels 1. Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld. (…) Vo 883/2004 Artikel 11 Algemene regels 1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld. 2. (…) 3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16: a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; (…) e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten. (…) Artikel 87, achtste lid Indien een persoon op grond van deze verordening is onderworpen aan de wetgeving van een andere lidstaat dan die waaraan die persoon op grond van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 onderworpen is, blijft de betrokkene onderworpen aan deze wetgeving zolang de desbetreffende situatie voortduurt, maar in elk geval niet langer dan 10 jaar te rekenen vanaf de toepassingsdatum van deze verordening, tenzij hij