Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-18
ECLI:NL:CRVB:2026:955
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/2520 POL, 25/292 POL, 25/318 POL Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 september 2024, 23/881 (aangevallen uitspraak) Partijen: Korpschef van Politie (de korpschef) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 18 juni 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om een ontslagbesluit, waarbij primair een strafontslag en subsidiair een ongeschiktheidsontslag is opgelegd. Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat dit ontslagbesluit geen stand houdt. De in de nieuwe beslissing op bezwaar opgelegde straf van plaatsing in een lagere schaal en de bijkomende maatregel van overplaatsing houden wel stand. Voor de rangverlaging bestaat geen wettelijke grondslag. PROCESVERLOOP Namens de korpschef is hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M. van der Steeg, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, op 6 december 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens betrokkene heeft Van der Steeg op dat besluit een reactie gegeven. Met toepassing van artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is deze nieuwe beslissing op bezwaar in de lopende procedure betrokken. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Hoogerhuis-Wessels, mr. D.R. Timmer en R.P. Groen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam] . OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene is vanaf 1982 werkzaam geweest bij de politie, laatstelijk in de functie van [functie 1] bij het Basisteam [gebied 1] ( [plaats 1] ) in de Eenheid [regio 1] . Daarvoor is betrokkene werkzaam geweest als [functie 2] bij het basisteam [gebied 2] . 1.2. Betrokkene en [naam meldster] (hierna: meldster) zijn eind 2019 een affectieve relatie met elkaar aangegaan. Beiden waren op dat moment (formeel) werkzaam in het basisteam [gebied 2] en betrokkene was formeel de leidinggevende van meldster. Meldster had daar formeel de functie van [functie 3] , maar zij was feitelijk werkzaam in het team [naam team] ( [naam team] ) te [plaats 2] . Meldster was in september 2017 ziek uitgevallen en zij is vanaf 1 april 2019 in verband met een reintegratie tijdelijk te werk gesteld bij [naam team] . Meldster is per 1 mei 2019 voor 99% hersteld gemeld. Meldster heeft op 22 november 2019 een voorgenomen herplaatsingsbesluit ontvangen naar [naam team] , waarna ze eind november 2019 volledig hersteld gemeld is. De formele herplaatsing naar het team [naam team] in [plaats 2] is per 1 februari 2020 gerealiseerd. De relatie tussen betrokkene en meldster is in augustus 2020 beëindigd. 1.3. Op 14 maart 2021 heeft meldster per e-mail aan een sectorhoofd gemeld dat zij gedurende enkele maanden een seksuele relatie heeft gehad met betrokkene. Dat heeft ertoe geleid dat de korpschef aan het team Veiligheid, Integriteit en Klachten de opdracht heeft gegeven om een oriënterend onderzoek in te stellen naar een aantal gedragingen van betrokkene. 1.4. Naar aanleiding van de resultaten van het oriënterend onderzoek heeft de korpsleiding met een brief van 13 juli 2021 een disciplinair onderzoek aan betrokkene aangezegd en hem medegedeeld dat hij op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) buiten functie wordt gesteld. Van het disciplinair onderzoek is op 18 november 2021 een rapport uitgebracht. Daarna heeft nog aanvullend onderzoek plaatsgevonden. 1.5. Met een besluit van 24 januari 2022 is betrokkene geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef onder b, van het Barp. 1.6. Na een voornemen daartoe en de zienswijze daarop van betrokkene is met een besluit van 31 mei 2022 aan betrokkene, primair, de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd en, subsidiair, ontslag verleend De rechtbank is van oordeel dat betrokkene zich in een chantabele positie heeft gebracht doordat hij niet zelf het initiatief heeft genomen om de relatie bekend te maken bij zijn leidinggevende. Met name kan hem dat verwijt worden gemaakt omdat hij dat initiatief zelfs niet heeft genomen op het moment dat de inmiddels beëindigde maar nog wel vriendschappelijke relatie tussen hem en meldster wijzigde in een “vechtrelatie”. Met het alsnog melden van de relatie heeft hij gewacht tot een te laat moment. De zesde verweten gedraging (f) betreft het hebben van seks met meldster in de woning van een aspirante (een nicht van meldster) die werkzaam is in het team van betrokkene in een ondergeschikte positie. Meldster had de woning van haar nicht geregeld en betrokkene wist twee dagen voor de afspraak dat de woning van een aspirante was die werkzaam was in zijn team. Met deze wetenschap had betrokkene geen gevolg moeten geven aan de gemaakte afspraak. Door hier wel gevolg aan te geven heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De aan betrokkene verweten gedragingen kunnen hem worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag in dit geval onevenredig is aan het resterende plichtsverzuim. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een belangrijk deel van de door de korpschef aan betrokkene verweten gedragingen (gedragingen a en d) niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat betrokken reeds sinds [datum] 1982 in dienst is bij de politie en hem niet eerder plichtsverzuim is aangerekend. Het is aan de korpschef om, met inachtneming van het voorgaande, een passende keuze te maken uit de andere mogelijkheden van bestraffing die artikel 77, eerste lid, van het Barp geeft. De korpschef heeft het subsidiair verleende ontslag gebaseerd op de stelling dat betrokkene niet over de juiste grondhouding beschikt en hij niet voldoet aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die vereist zijn voor een professionele en betrouwbare ambtenaar van de politie. De motivering van het ongeschiktheidsontslag zou opnieuw beoordeeld moeten worden, aangezien het meest ernstige verwijt aan betrokkene, gedraging a, geen stand houdt. Bovendien is geen sprake is van de uitzonderlijke situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Omdat geen verbeterkans is geboden, is de korpschef niet bevoegd om betrokkene ontslag te verlenen vanwege functionele ongeschiktheid. De standpunten van partijen 3. De korpschef is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens de korpschef zijn ook de verweten gedragingen a en d als plichtsverzuim aan te merken en rechtvaardigen alle verweten gedragingen het opgelegde onvoorwaardelijk strafontslag, alsmede het subsidiair verleende ongeschiktheidsontslag. 4. Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Hij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de verweten gedragingen c, e, en f terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim. Nieuwe beslissing op bezwaar 5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef met een nader besluit op bezwaar van 6 december 2024 het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 31 mei 2022 herroepen. Hierbij heeft de korpschef de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal opgelegd . Betrokkene zal vanaf de bekendmaking van het besluit worden uitbetaald naar schaal 10, trede 14, in plaats van naar schaal 12, trede 14. Gelijktijdig zijn aan betrokkene bijkomende maatregelen opgelegd. Betrokkene is ontheven uit zijn functie van [omschrijving] en teruggeplaatst in de functie van [functie 4] , omdat betrokkene de verantwoordelijkheden die passen bij de functie van [functie 1] niet aankan. Daarnaast heeft de korpschef het niet wenselijk geacht dat betrokkene werkzaam blijft bij het basisteam [gebied 1] , gezien de onrust die daar is ontstaan, zodat betrokkene geplaatst zal Bovendien is de relatie pas ontstaan nadat meldster in november 2019 het voorgenomen herplaatsingsbesluit naar [naam team] had ontvangen en duidelijk was dat de feitelijke tewerkstelling bij het team [naam team] zou worden omgezet in een formele plaatsing. Ook hier acht de Raad verder van belang dat er geen regels of richtlijnen bij de politie waren met betrekking tot het melden van relaties met collega’s. De korpschef heeft niet onderbouwd waarom vanaf 1 februari 2020 sprake zou zijn van een meldingsplicht. In het licht van voormelde omstandigheden is de Raad van oordeel dat het niet melden van de relatie door betrokkene niet is aan te merken als plichtsverzuim. Incidenteel hoger beroep betrokkene – verweten gedraging c, e, en f 6.3. De Raad stelt met betrekking tot gedraging b vast dat betrokkene de aangevallen uitspraak op dit punt niet heeft aangevochten. Betrokkene heeft erkend dat hij twee keer buiten diensttijd seks heeft gehad met meldster op een verlaten politiebureau en dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert. De Raad gaat net als de rechtbank uit van een verwijtbare gedraging die aan te merken is als plichtsverzuim. 6.4. Ten aanzien van gedraging c staat eveneens vast dat betrokkene deze gedraging heeft begaan. Betrokkene heeft erkend dat hij op 4 december 2019 op werkbezoek is geweest op de werkplek van meldster in [plaats 2] en meldster voor het eerst gezoend heeft in de kelder, nadat meldster hem een rondleiding had gegeven. Betrokkene is het echter niet eens met het oordeel van de rechtbank dat deze gedraging kwalificeert als plichtsverzuim. Volgens betrokkene was de zoen kortstondig en met wederzijds goedvinden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van plichtsverzuim. Het zoenen van meldster op de werkvloer onder diensttijd is aan te merken als schending van een gedragsnorm en betrokkene had zich daarvan moeten onthouden. Dat het zoenen kortstondig en met wederzijds goedvinden was, maakt het voorgaande niet anders. 6.5. Met betrekking tot gedraging e – zichzelf in een chantabele positie brengen – stelt de Raad, gezien de onderbouwing in het ontslagbesluit, vast dat betrokkene wordt verweten zichzelf in een chantabele positie te hebben gebracht door het aangaan van een buitenechtelijke affaire, en door het niet eerder melden van de beëindigde relatie nadat de communicatie eind 2020/begin 2021 anders van toon werd en verslechterde. Niet in geschil is dat betrokkene, nadat meldster veelvuldig (boze) e-mails ging versturen naar het werkaccount van betrokkene en de situatie escaleerde, er pas in maart 2021 melding van heeft gemaakt dat meldster voornemens was hem kapot te maken door onder meer naar zijn echtgenote te gaan, omdat hij niet meer aan de eisen van meldster wilde voldoen. Betrokkene heeft door het aangaan van een buitenechtelijke affaire met meldster het risico genomen dat hij in zijn functie als leidinggevende in een chantabele positie zou komen te verkeren. Dit risico heeft zich in zoverre ook verwezenlijkt, dat betrokkene na het beëindigen van de relatie is geconfronteerd met de genoemde e-mails van meldster. Betrokkene heeft op dat moment niet aanstonds aan de bel getrokken bij de dienstleiding. Al met al heeft de korpschef betrokkene terecht tegengeworpen dat hij zichzelf in een chantabele positie heeft gebracht. Deze gedraging is terecht aangemerkt als plichtsverzuim. 6.6. Met betrekking tot gedraging f staat vast dat betrokkene deze gedraging heeft begaan. Betrokkene heeft erkend dat hij een keer seks heeft gehad met meldster in de woning van een nicht van meldster, die tevens werkzaam was als aspirante in het team in [gebied 2] . Volgens betrokkene kan dit niet als plichtsverzuim worden aangemerkt. Volgens betrokkene had meldster de woning geregeld en wist betrokkene niet of meldster haar nicht op de hoogte had gesteld voor welke gelegenheid zij de ruimte nodig had. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Betrokkene wist dat de betreffende woning van de aspirante was. Hoewel asp Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, omdat zowel de straf van onvoorwaardelijk ontslag als het subsidiair verleende ontslag wegens ongeschiktheid geen stand houdt. De korpschef heeft in opdracht van de rechtbank en ter uitvoering van de aangevallen uitspaak opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene. Met toepassing van artikel 6:19 Awb is van rechtswege een beroep aanhangig tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de Raad toekomt aan de beoordeling van de gronden gericht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 6 december 2024. Nieuwe beslissing op bezwaar 6.13. De korpschef heeft met het besluit van 6 december 2024 het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard, het ontslagbesluit herroepen en betrokkene een andere straf opgelegd met bijkomende maatregelen. Betrokkene is het niet eens met de opgelegde straf en maatregelen. Ook heeft betrokkene aangevoerd dat in het bezwaarschrift is verzocht om vergoeding van bezwaarkosten, maar de korpschef heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar nagelaten om hem een vergoeding toe te kennen voor de in bezwaar gemaakte kosten. 6.14. De aangevoerde grond tegen het ontbreken van een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten slaagt. Aangezien met de nieuwe beslissing het bezwaar gegrond is verklaard en het ontslagbesluit is herroepen, komt betrokkene op grond van artikel 7:15 Awb voor een vergoeding van de bezwaarkosten in aanmerking. Straf van plaatsing in een lagere salarisschaal 6.15. De korpschef heeft betrokkene bij wijze van straf voor onbepaalde tijd geplaatst in een lagere salarisschaal, namelijk in schaal 10, trede 14, in plaats van in schaal 12, trede 14. Betrokkene heeft ten eerste aangevoerd dat een dergelijke straf onrechtmatig is en buiten de reikwijdte van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i van het Barp valt. Hierbij heeft betrokkene zich beroepen op artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k van de Politiewet 2012. Betrokkene maakt uit deze bepaling op dat (ook) bij een straf van plaatsing in een lagere salarisschaal de schade niet hoger mag zijn dan het salaris over anderhalve maand. Dit standpunt slaagt niet. 6.16. In artikel 77 van het Barp is bepaald welke straffen kunnen worden opgelegd aan de ambtenaar die zich schuldig maakt aan plichtsverzuim. Dit artikel vindt zijn grondslag in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet 2012, waarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de politie regels worden vastgesteld over disciplinaire straffen. Aan deze wettelijke bepaling is toegevoegd ‘met dien verstande dat een boete dan wel een inhouding of korting op de bezoldiging per opgelegde disciplinaire straf ten hoogste gelijk is aan het bedrag van het salaris van de ambtenaar over anderhalve maand’. Artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet 2012 geeft bij de vaststelling van regels over disciplinaire straffen dus alleen een begrenzing aan ten aanzien van de straf van een geldboete en de straf van een inhouding van salaris. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voormelde begrenzing ook zou gelden voor de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal . Anders dan betrokkene heeft betoogd, is de opgelegde straf dan ook niet in strijd met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet en valt de opgelegde straf ook niet buiten de reikwijdte van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp. Ook het standpunt van betrokkene dat uit de formulering van artikel 77 van het Barp blijkt dat een disciplinaire sanctie in principe in tijd of zwaarte wordt beperkt, kan niet worden gevolgd. 6.17. Betrokkene heeft verder aangevoerd dat de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal (van schaal 12 naar schaal 10) voor onbepaalde tijd onevenredig en buitensporig is. Hoewel sprake is van een forse straf is de Raad gelet op het vastgestelde en resterende plichtsverzuim van oordeel dat deze straf niet onevenre