Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-21
ECLI:NL:CRVB:2026:95
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 mei 2025, 23/2829 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [naam B.V.] te [vestigingsplaats] ([naam B.V.]) Datum uitspraak: 21 januari 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv geen loonsanctie mocht opleggen, omdat van [naam B.V.] in redelijkheid niet kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste toets heeft aangelegd door de ‘voor rekening en risico’-benadering niet te volgen en dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens [naam B.V.] heeft mr. S.J. Heijtlager, advocaat, een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R. Spanjer en mr. M.H. Beersma. Voor [naam B.V.] is mr. Heijtlager en [naam directeur], directeur HRM, verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. [naam werknemer] (werknemer) was werkzaam bij [naam B.V.], laatstelijk als [naam functie] voor 38 uur per week. Op 10 maart 2021 heeft werknemer zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Op 12 december 2022 heeft werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. De verzekeringsarts heeft op 13 februari 2023 een rapport opgemaakt, en heeft na telefonisch contact met de bedrijfsarts op 20 februari 2023 nader gerapporteerd. Een arbeidsdeskundige heeft op 28 februari 2023 het re-integratieverslag beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen van [naam B.V.] onvoldoende zijn geweest en dat er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Met een besluit van 3 maart 2023 heeft het Uwv aan [naam B.V.] een loonsanctie opgelegd. [naam B.V.] moet het loon aan werknemer doorbetalen tot 6 maart 2024. 1.2. Bij besluit van 21 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door [naam B.V.] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 3 maart 2023 herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de loonsanctie ten onrechte opgelegd. 2.1. De rechtbank is daarbij eerst ingegaan op de rechtspraak van de Raad in loonsanctiezaken, waarbij bij de boordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever (de zogeheten ‘RIV-toets’) onjuist medisch handelen van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever komt (de zogeheten ‘voor rekening en risico’benadering). Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2022 en op grond van een drietal met elkaar samenhangende redenen, heeft de rechtbank overwogen dat, ondanks de uitspraak van de Raad van 23 november 2023, waarin de Raad de ‘voor rekening en risico’-benadering heeft bevestigd, zij blijft vasthouden aan de nuancering die in de uitspraak van 11 februari 2022 op deze benadering is aangebracht. 2.2. De rechtbank wijst er allereerst op dat de regering op 28 januari 2025 aan de Tweede (en Eerste) Kamer een advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) heeft gestuurd, waarin is geadviseerd dat het Uwv bij de toetsing van het re-integratieverslag mag uitgaan van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts. Daardoor vervalt één van de grondslagen voor de loonsanctie. Ten tweede heeft de rechtbank gewezen op de conclusie van raadsheer a De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om het [naam B.V.] een loonsanctie op te leggen heeft vernietigd aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. De Raad ziet aanleiding allereerst te oordelen over de beroepsgrond, dat de rechtbank een onjuiste toets heeft verricht door de ‘voor rekening en risico’-benadering niet te volgen. 5.2. In zijn uitspraak van 23 november 2023 heeft de Raad uiteengezet waarom er geen aanleiding is de ‘voor rekening en risico’-benadering bij loonsancties, zoals die in de rechtspraak van de Raad is neergelegd, niet langer te volgen. Hierbij is (kort gezegd) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis expliciet blijkt dat de plicht tot re-integratie van de zieke werknemer ingevolge artikel 25, negende lid, van de Wet WIA op de werkgever rust en dat die verantwoordelijkheid tevens de verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door de werkgever ingeschakelde deskundigen. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever met de bewoordingen ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ in artikel 65 van de Wet WIA heeft beoogd de medisch-inhoudelijke aspecten van de re-integratie uit te sluiten van die verantwoordelijkheid. Dit blijkt ook uit het feit dat de wetgever, teneinde het medisch advies van de bedrijfsarts bij de toepassing van artikel 65 van de Wet WIA leidend te maken, een wetsvoorstel tot wijziging van dat artikel nodig acht. De Raad heeft tot slot ook gewezen op het belang van werknemers bij een adequate re-integratie. In gevallen waarin de medische beoordeling door de bedrijfsarts inhoudelijk onjuist is en de re-integratie-inspanningen als gevolg daarvan onvoldoende zijn geweest, strekt een loonsanctie ertoe een adequate re-integratie – in het belang van de werknemer – alsnog te laten plaatsvinden. 5.3. De Raad ziet in wat de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en in wat [naam B.V.] heeft aangevoerd, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 23 november 2023 is neergelegd. De Raad volgt het betoog dat het Uwv in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. De Raad voegt daar het volgende aan toe. 5.4. Bij de RIV-toets staat tegenover het belang van de werkgever, dat zijn loonbetalings- en re-integratieverplichting na afloop van het tweede ziektejaar eindigt, het belang van de werknemer dat de re-integratie in het derde ziektejaar wordt voortgezet als de re-integratie-inspanningen van de werkgever in de eerste twee ziektejaren onvoldoende waren. Daarbij heeft een loonsanctie voor de zieke werknemer niet alleen gevolgen voor zijn re-integratie in het derde ziektejaar, maar raakt dit ook zijn rechtspositie waar het betreft zijn ontslag- en inkomensbescherming. 5.5. In de door de rechtbank voorgestane nuancering van de ‘voor rekening en risico’benadering is bepalend of van de werkgever in redelijkheid kon worden gevergd het advies van de door hem ingeschakelde bedrijfsarts in twijfel te trekken. Deze ‘vergewis’toets dient zich volgens de rechtbank te beperken tot de vraag of het advies van de bedrijfsarts zorgvuldig tot stand is gekomen. In zijn uitspraak van 23 november 2023 heeft de Raad vastgesteld dat hiermee het medisch inhoudelijke advies van de bedrijfsarts in feite leidend wordt bij de RIV-toets: een zorgvuldig tot stand gekomen – maar inhoudelijk onjuist – advies van de bedrijfsarts komt niet langer voor rekening en risico van de werkgever en een loonsanctie zal in dat geval niet meer kunnen worden opgelegd. Daarmee komt een inhoudelijk onjuist advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werknemer. Anders dan de rechtbank meent, houdt d Bedrijfsarts Peperkamp heeft zelf geen neurologisch onderzoek van de handen gedaan en geeft aan dat eerder zijn collega wel afwijkingen in de fijne motoriek heeft gevonden, maar daarmee is volgens de bedrijfsarts geen verklaring gevonden voor de handklachten. De bedrijfsarts heeft in het telefoongesprek aangegeven dat hij denkt dat de minder goede relatie met de werkgever eigenlijk de belangrijkste belemmering is geweest. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben daaruit opgemaakt dat de door de bedrijfsarts aangenomen forse beperkingen aan de handen, die leidend zijn geweest bij de re-integratie van de werknemer, medisch niet plausibel zijn. 5.9. De Raad constateert dat noch in bezwaar, noch in (hoger) beroep enige verklaring van de zijde van de arbodienst en/of bedrijfsarts door [naam B.V.] is ingebracht, die inzicht verschaft in de beweegredenen van de bedrijfsarts om – in weerwil van de aanwezige medische informatie – ten aanzien van het hand- en vingergebruik en het werken met toetsenbord en/of muis uit te gaan van de in de FML van 2 februari 2022 en het Actueel Oordeel van 22 november 2022 opgenomen (forse) beperkingen. Mede gelet op hetgeen de bedrijfsarts Peperkamp daarover op 20 februari 2023 aan de verzekeringsarts heeft verklaard, kan het Uwv gevolgd worden in zijn standpunt dat de bedrijfsarts – ook als daarbij de professionele marge in acht wordt genomen – in redelijkheid niet tot zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Dit komt voor rekening en risico van [naam B.V.]. Conclusie en gevolgen 5.10. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van [naam B.V.] wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat de loonsanctie in stand blijft. Omdat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft, wordt van het Uwv voor het ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven. 6. Omdat het hoger beroep van het Uwv slaagt krijgt [naam B.V.] geen vergoeding voor haar proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) B.F.C. Wiedenhof Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. […] Artikel 65 van de Wet WIA De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een reintegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voor zover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde […] in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht. Rb. Oost-Brabant 11 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:415. CRvB 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216. Kamerstukken II, 2024/2025, 26 448, nr. 799, p. 16. CRvB 10 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2086, overwegingen 15.16-15.21. Brief van 11 juni 2025