Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-03
ECLI:NL:CRVB:2026:927
Einduitspraak. Vaststelling ingangsdatum van een IVA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd dat per 1 september 2018 sprake is van een medische duurzame situatie. Nu het Uwv de in de tussenuitspraak genoemde gebreken niet heeft hersteld, gaat de Raad ervan uit dat ex-werknemer vanaf 27 november 2017 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus per die datum recht heeft op een IVA-uitkering. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2021, 20/2041 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [ex-werknemer] (ex-werknemer) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 3 juli 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de ingangsdatum van een IVA-uitkering. In een tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De Raad heeft het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hierin is het Uwv niet geslaagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd dat eerst per 1 september 2018 sprake is van een duurzame medische situatie. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent ex-werknemer met ingang van 27 november 2017 een IVAuitkering toe. PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 13 januari 2026 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2026:59, gedaan (tussenuitspraak). Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 februari 2026 ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd. In verband met het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe. 1.1. In de tussenuitspraak heeft de Raad een oordeel gegeven over meerdere standpunten van appellante. Appellante is niet gevolgd in haar standpunt dat de WGAuitkering van exwerknemer van rechtswege is geëindigd voorafgaand aan 27 november 2018, het moment waarop hem een IVA-uitkering is toegekend. Wel heeft de Raad geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en dat daarom toepassing van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) achterwege moet blijven. Op de vraag of ex-werknemer al eerder dan 27 november 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet ingegaan in zijn rapport van 17 september 2020. Ook is de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet ingegaan op de door appellante ingediende rapporten van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts J.M.W.N. Derks. Het Uwv is opgedragen om de gebreken te herstellen en alsnog te onderzoeken of ex-werknemer eerder dan 27 november 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. 2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 februari 2026 ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft als nieuwe ingangsdatum voor de IVA-uitkering 1 september 2018 aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij van belang geacht dat uit een rapport van verzekeringsarts J. Spanjer van 10 februari 2020 blijkt dat ex-werknemer in augustus 2017 intern is opgenomen onder een zeer strak regime voor een periode van negen maanden, dus tot mei 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat ervan uit dat door deze behandeling de medische situatie van ex-werknemer is verbeterd. Daarna is exwerknemer nog begeleid door VNN, een organisatie die hulp bij verslaving en ook behandeling aanbiedt. Het lijkt er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat deze begeleiding/behandeling erop gericht was om datgene dat ex-werknemer had bereikt tijdens opname te bestendigen. Dit is uiteindelijk niet gelukt, nu ex-werknemer in september 2018 onder invloed van alcohol is aangehouden, waarna hij is doorverwezen naar Ambulent Forensische Behandeling Noord. Vanaf dat moment kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen verbetering meer verwacht worden en daarom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ingangsdatum voor de IVA-uitkering arbitrair vastgesteld op 1 september 2018, te weten de maand van terugval na eerdere intensieve, interne behandeling die kennelijk slechts kort tot verbetering heeft geleid. 3. Appellante heeft aangevoerd dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende is gemotiveerd. Zo gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ervan uit dat bij de opname in augustus 2017 alle mogelijkheden zijn geëvalueerd, maar over de opname is geen informatie ingewonnen. Het is dus een aanname dat de behandeling tot mei 2018 heeft geduurd en dat sprake was van een verbetering. Ook heeft het Uwv niet vastgesteld dat deze veronderstelde verbetering ook daadwerkelijk een relevante verbetering van de belastbaarheid betrof en hoe lang deze eventuele relevante verbetering van de belastbaarheid heeft geduurd. De enkele reden om vanaf 1 september 2018 uit te gaan van duurzaamheid van de sinds 27 november 2017 bestaande volledige arbeidsongeschiktheid is dat ex-werknemer in september 2018 onder invloed heeft gereden en is aangehouden. Dat is volgens appellante geen afdoende onderbouwing om pas per 1 september 2018 duurzaamheid aan te nemen. Ook is de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet ingegaan op de rapporten en bevindingen van verzekeringsarts Derks, terwijl daar in de tussenuitspraak wel opdracht voor is gegeven. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. De Raad komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. 4.1. Anders dan waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 februari 2026 van uitgaat, blijkt uit de stukken niet dat ex-werknemer vanaf augustus 2017 tot mei 2018 opgenomen is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband verwezen naar het rapport van verzekeringsarts Spanjer van 10 februari 2020, waarin is vermeld dat ex-werknemer “in 2017-8 negen maanden intern heeft gezeten”. Uit de overige in het dossier bevindende stukken blijkt echter dat behandeling tot januari 2017 heeft plaatsgevonden. Zo staat in het rapport van de verzekeringsarts van 28 september 2017 dat ex-werknemer negen maanden intern is behandeld tot januari 2017 en dat hij daarna een nabehandeling volgde tot begin september 2017. Ook uit de verklaring van de psychiater J. Kerkhoff van 5 juli 2016 en uit het in het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 oktober 2017 beschreven verloop van de re-integratie kan worden afgeleid dat in 2016 tot januari 2017 sprake was van een langdurige opname. Uit laatstgenoemd rapport blijkt dat ex-werknemer vanaf februari 2017 weer heeft getracht te re-integreren in aangepast werk, wat uiteindelijk niet is gelukt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is dan ook ten onrechte uitgegaan van een interne opname tot mei 2018 en nadien nog behandeling. 4.2. Nu van een opname en behandeling van augustus 2017 tot september 2018 niet is gebleken, wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gevolgd in het standpunt dat in 2018 vanwege die opname en behandeling sprake moet zijn geweest van een verbeterde medische situatie. Dat ex-werknemer in september 2018, gelet op zijn aanhouding door de politie, een terugval heeft gehad en dat pas vanaf dat moment de volledige arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is, heeft de verzekeringsarts niet met andere argumenten onderbouwd. Gelet op het vorenstaande is het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook onvoldoende gemotiveerd. 4.3. Daar komt nog bij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 februari 2026 niet gemotiveerd is ingegaan op de rapporten van verzekeringsarts Derks, terwijl daartoe wel opdracht is gegeven in de tussenuitspraak. In de rapporten van Derks van 29 maart 2020, 14 april 2020, 4 juni 2020 en 8 juli 2020 heeft Derks erop gewezen dat exwerknemer al sinds 1995 (dus 25 jaar) verslaafd was aan alcohol en dat de intensieve behandelingen al waren afgebouwd per 26 november 2017 en niet tot een blijvende verbetering hebben geleid. Er zijn volgens Derks geen behandelmogelijkheden waarvan nog enige verbetering kan worden verwacht en deze situatie is volgens hem al aan de orde op de datum einde wachttijd, te weten 26 november 2017. Door niet op deze rapporten en daarin getrokken conclusies in te gaan, is ook hierom sprake van een motiveringsgebrek. 4.4. Nu het Uwv de in de tussenuitspraak genoemde gebreken niet heeft hersteld, gaat de Raad ervan uit dat ex-werknemer vanaf 27 november 2017 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus per die datum recht heeft op een IVA-uitkering. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 5. Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen. 5.1. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per halfjaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 5.2. Volgens vaste rechtspraak wordt in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet. 5.3. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 6 december 2019 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure zes jaar en bijna zeven maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en bijna zeven maanden (in totaal dus 31 maanden) overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-. 5.4. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 28 juli 2020 tot de tussenuitspraak van de Raad van 13 januari 2026 heeft vijf jaar, vijf maanden en ruim twee weken in beslag genomen. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt, namelijk het gedeelte dat langer heeft geduurd dan drie en een half jaar (42 maanden) tussen het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de Raad. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter van, naar boven afgerond, 24 maanden. Hieruit volgt dat van de totale overschrijding met 31 maanden een overschrijding van zeven maanden voor rekening van het Uwv komt. 5.5. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de Staat onderscheidenlijk het Uwv wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.322,58 (24/31 deel van € 3.000,-). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 677,42 (7/31 deel van € 3.000,-). Conclusie en gevolgen 6. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank daarin het beroep tegen het besluit van 23 september 2020 ongegrond heeft verklaard. Het beroep tegen dat besluit wordt alsnog gegrond verklaard en het besluit van 23 september 2020 wordt vernietigd, behalve voor zover daarbij de kosten van bezwaar zijn vergoed. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 29 augustus 2019 te herroepen en te bepalen dat ex-werknemer met ingang van 27 november 2017 recht heeft op een IVA-uitkering. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Proceskosten 7.1. Het Uwv heeft bij de beslissingen op bezwaar de kosten van bezwaar al vergoed. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen de proceskosten in beroep te vergoeden. Deze kostenveroordeling blijft in stand. Daarnaast bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het hoger beroep van het Uwv. Deze kosten worden begroot op € 3.269,- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting en 0,5 punt voor een zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde van € 934,- per punt). 7.2. Ook bestaat aanleiding het Uwv en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep in verband met het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,5). Van deze proceskosten komt € 233,50 voor rekening van het Uwv en € 233,50 voor rekening van de Staat. 7.3. Het totaalbedrag aan te vergoeden kosten aan appellante bedraagt € 3.502,50 ten laste van het Uwv en € 233,50 ten laste van de Staat. 7.4. Verder dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.