Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-01-28
ECLI:NL:CRVB:2026:90
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:90 text/xml public 2026-03-05T10:01:49 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-01-28 25/670 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl RSV 2026/51 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:90 text/html public 2026-01-30T12:55:42 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:90 Centrale Raad van Beroep , 28-01-2026 / 25/670 WAJONG Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat appellante op 20 april 2023 beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de artsen van het Uwv dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is. Voldoende gemotiveerd dat er geen medische onderbouwing is voor een urenbeperking conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Er is geen medische reden een urenbeperking toe te kennen op basis van energetische gronden, preventieve gronden of op basis van verminderde beschikbaarheid. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/670 WAJONG Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 februari 2025, 24/4739 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 28 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 20 april 2023 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Namens appellante is mr. Ghaffari verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff-Eggink. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 20 april 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante een taalachterstand heeft door een hersenbloeding, concentratieproblemen, knieklachten en scoliose heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft door het ontbreken van basale werknemersvaardigheden, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 24 november 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 3 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft op het moment van aanvraag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische gronden gezien waarom appellante niet over basale werknemersvaardigheden zou beschikken. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante niet wordt gevolgd in haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat. De artsen van het Uwv hebben bij de beoordeling de informatie van appellante betrokken en geconcludeerd dat er geen medische reden is waarom appellante niet een uur aaneengesloten kan werken en niet vier uur belastbaar is. Hierbij zijn de daginvulling, het dagverhaal en het feit dat appellante haar vmbo-diploma en rijbewijs heeft gehaald van belang. Ook heeft appellante in het dagelijks leven laten zien dat zij met het doen van (lichte) huishoudelijke taken en de zorg voor haar dochtertje vier uur per dag en een uur aaneengesloten belastbaar is . De artsen van het Uwv hebben geen indicatie gezien om een urenbeperking aan te nemen conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Appellante heeft niet met medische informatie onderbouwd waarom een urenbeperking moet worden aangenomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat voor de beoordeling van het arbeidsvermogen externe factoren alleen worden meegewogen voor zover deze ‘ziekmakend’ zijn. Volgens de arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de veranderingen in de leefsituatie geen invloed op de aandoening of ziekte van appellante en zijn de factoren niet ziekmakend voor appellante, zodat zij geen rekening hebben gehouden met deze factoren bij de beoordeling. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat uit de eerder overgelegde medische informatie blijkt dat sprake is van complexe medische problematiek op het achttiende levensjaar. Er is sprake van cognitieve klachten en snelle overbelasting. Ook blijkt dat de laatste jaren sprake is van toenemende cognitieve klachten en hoofdpijn, mogelijk samenhangend met de overgang van inwonen bij haar moeder naar zelfstandig wonen met haar kind én de scheiding van haar partner. Ten tijde van de aanvraag en op haar achttiende levensjaar was sprake van externe factoren in haar leven die in samenhang en onderling verband bezien met haar gezondheidstoestand, dermate ziekmakend zijn dat een (preventieve) urenbeperking aangewezen is. Deze externe factoren van de afgelopen jaren zijn ziekmakend en beïnvloeden haar al bekende cognitieve klachten, paniekaanvallen en vermoeidheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte geen rekening gehouden met deze externe factoren. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 5.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 20 april 2023 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) arbeidsvermogen heeft. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellante niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. 5.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusie van de artsen van het Uwv dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is. De Raad onderschrijft de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen en maakt dit oordeel tot de zijne. Hier voegt de Raad het volgende aan toe. 5.4.1.