Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-22
ECLI:NL:CRVB:2026:88
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 juli 2024, 22/1460 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak onder meer over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 7 april 2021 waarin het garantiebedrag is vastgesteld op € 25,02 per dag. Appellant is van mening dat er aanleiding is om hem een hoger garantiebedrag toe te kennen. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en stukken ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend. Partijen hebben nadere reacties ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 oktober 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontvangt sinds 29 juli 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Per 1 april 2018 ontvangt hij een uitkering op grond van de zogeheten voortgezette werkregeling van hoofdstuk 2 van de Wajong. 1.2. Bij besluit van 4 januari 2021 heeft het Uwv het voor appellant geldende garantiebedrag met ingang van 1 januari 2021 vastgesteld op € 21,72 bruto per dag. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.3. Bij besluit van 7 april 2021 heeft het Uwv het besluit van 4 januari 2021 ingetrokken en het garantiebedrag nader vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 9 april 2021 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2021 gegrond verklaard en bepaald dat het garantiebedrag vanaf 1 januari 2021 € 25,02 bruto per dag bedraagt. Bij de berekening van het garantiebedrag is uitgegaan van de gemiddelde inkomsten van appellant in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 november 2020. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. 1.4. Op 18 februari 2022 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 7 april 2021 en het garantiebedrag met ingang van 1 januari 2021 vast te stellen op € 43,21 per dag. Appellant heeft hierbij verwezen naar het met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 aan artikel 2 van het Besluit garantiebedrag Wajong (Besluit) toegevoegde vierde lid. Bij besluit van 2 maart 2022 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. 1.5. Bij besluit van 17 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een achteruitgang in uitkering door de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong. Dat het garantiebedrag per dag vanaf 1 januari 2021 lager is dan de uitkering per dag in december 2020 is het gevolg van het incidenteel lagere inkomen in december 2020 en is geen direct gevolg van de toepassing van de nieuwe rekenregels. Er is dus geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft overwogen dat in geschil is de hoogte van het garantiebedrag waarop appellant per 1 januari 2021 recht heeft ingevolge artikel 8:8 van de Wajong. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het garantiebedrag terecht heeft berekend volgens de hoofdregel van artikel 2, eerste lid, van het Besluit en niet volgens de bijzondere regeling van artikel 2, vierde lid, van het Besluit. De bepalingen over de wijze van bereken Naar aanleiding van het met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 aan artikel 2 van het Besluit toegevoegde vierde lid, heeft appellant verzocht om terug te komen van het eerder genomen besluit. Het Uwv heeft vervolgens uitsluitend beoordeeld of het toegevoegde vierde lid gevolgen heeft voor het eerder vastgestelde garantiebedrag en er in die zin sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Een volledig hernieuwde inhoudelijke beoordeling van het eerder vastgestelde garantiebedrag heeft het Uwv niet verricht. 5.3. Voor zover appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel doet, wordt hij hierin niet gevolgd. In het besluit van 9 april 2021 is appellant gewezen op de mogelijkheid om in geval van een wetswijziging bij het Uwv een verzoek in te dienen om terug te komen van het eerder bij besluit van 7 april 2021 vastgestelde garantiebedrag. Niet is toegezegd dat in dat geval het verzoek inhoudelijk zou worden beoordeeld, als ware het een eerste aanvraag. 5.4. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep van het Uwv slaagt. Het hoger beroep van appellant 5.5. De Raad beoordeelt vervolgens het hoger beroep van appellant en komt tot het oordeel dat dit hoger beroep niet slaagt. 5.6. Het Uwv heeft op het verzoek van appellant beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. 5.7. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet valt onder de werking van artikel 2, vierde lid, van het Besluit en de toevoeging van het vierde lid per 1 januari 2021. Met de toevoeging van het vierde lid is enkel beoogd om de onbedoelde effecten van de invoering van de nieuwe rekenregels in de Wet vereenvoudiging Wajong voor een specifieke groep Wajongers weg te nemen. Het gaat hierbij om de groep Wajongers met een vast inkomen in december 2020 en januari 2021, bij wie – ondanks het vastgestelde garantiebedrag – per 1 januari 2021 een achteruitgang optrad als direct gevolg van de nieuwe rekenregels. Het ging daarbij uitdrukkelijk niet om Wajongers van wie de lagere uitkering in januari 2021 een gevolg is van andere oorzaken dan de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong. Dit blijkt uit een memo van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 maart 2021 (‘Analyse lager garantiebedrag dan uitkering december 2020, bedoeld of onbedoeld effect’), een brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juli 2021 en de desgevraagd door het Uwv in geding gebrachte brief van de minister van 25 februari 2022 en de daarbij behorende Bijlage herstelactie garantiebedrag Wajong van 9 februari 2022. 5.8. Het inkomen van appellant bedroeg in de maand december 2020 € 70,- en in de maand januari 2021 € 1.980,-. Er is bij appellant dus geen sprake van een vast inkomen in de maanden december 2020 en januari 2021. De achteruitgang in Wajong-uitkering in de maand januari 2021 ten opzichte van de maand december 2020 is het gevolg van het fors hogere inkomen van appellant in de maand januari 2021 ten opzichte van de maand december 2020 en is daarmee niet het directe gevolg van de nieuwe rekenregels. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant dus niet valt onder de werking van artikel 2, vierde lid, van het Besluit en dat dit toegevoegde vierde lid daarom geen relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid inhoudt, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. 5.9. Er is geen aanleiding v