Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-01
ECLI:NL:CRVB:2026:869
Vaststelling hoogte dagloon voor WW-uitkering. Appellante had volgens de geldende CAO iedere maand recht op een bedrag van ongeveer 20% van haar maandsalaris aan Mijn Keuze Budget (Budget). Het Budget betreft dus een arbeidsvoorwaardenbedrag in de zin van het Dagloonbesluit. Het Uwv heeft bij de vaststelling van het WW-dagloon terecht de maandelijkse betalingen van de vakantietoeslag en de dertiende maand afgetrokken van het sv-loon in de referteperiode. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Appellante heeft met het in beroep ingebrachte overzicht met afwijkende bedragen niet aangetoond dat de loonaangifte van de werkgever onjuist is. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1822 WW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2024, 24/903 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 juli 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon voor de WW-uitkering van appellante per 4 december 2023 terecht heeft vastgesteld op € 205,23. Volgens appellante heeft het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon de opgebouwde en opgenomen bedragen van het arbeidsvoorwaardenbedrag op een onjuiste manier meegenomen. Ook zijn volgens appellante de gegevens over het arbeidsvoorwaardenbedrag in de polisadministratie niet juist, omdat deze gegevens niet overeenkomen met de gegevens op de loonstroken van appellante. Hierdoor is het WW-dagloon te laag vastgesteld. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de hoogte van het WWdagloon heeft vastgesteld op € 205,23. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld en daarbij nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft laatstelijk gewerkt in dienst van [naam B.V.] Dit dienstverband is met een vaststellingsovereenkomst beëindigd per 1 december 2023. Appellante heeft op 24 november 2023 een aanvraag ingediend bij het Uwv voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 29 november 2023 heeft het Uwv appellante per 4 december 2023 een WW-uitkering toegekend. Het dagloon is daarbij – na indexering – vastgesteld op € 205,23. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat zij het niet eens is met de hoogte van het dagloon. 1.2. Bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 november 2023 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het WW-dagloon is berekend volgens de systematiek van artikel 5 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Hieruit volgt dat van het sv-loon dat appellante heeft genoten in het refertejaar de bedragen aan arbeidsvoorwaardenbedrag, die zijn betaald in het refertejaar, moeten worden afgetrokken. De in het refertejaar opgebouwde bedragen aan arbeidsvoorwaardenbedrag moeten bij het sv-loon worden opgeteld. Volgens het Uwv is het WW-dagloon conform deze systematiek juist vastgesteld op € 205,23. Uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank ten eerste vastgesteld dat niet in geschil is dat de referteperiode loopt van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023. Ook is niet in geschil dat in geval van appellante onder het arbeidsvoorwaardenbedrag vallen het vakantiegeld, de dertiende maand en een bijdrage Individueel Sparen. De rechtbank heeft overwogen dat de opgave van de werkgever aan de belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan aangiftetijdvakken. Bij de berekening van het WW-dagloon is het Uwv uitgegaan van de bedragen, zoals die door de werkgever zijn opgegeven in de polisadministratie, waarbij de bedragen zijn toegerekend aan de maand waarin ze door de werkgever zijn opgegeven. Appellante heeft niet aangetoond dat de gegevens in de polisadministratie, op basis waarvan het Uwv het WW-dagloon heeft berekend, onjuist zijn. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv ten onrechte de maandelijkse bedragen aan vakantiegeld en dertiende maand als uitbetaalde bedragen heeft meegenomen in de berekening van het WW-dagloon. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv het WWdagloon terecht heeft vastgesteld op € 205,23. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met deze uitspraak niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Hiertoe heeft appellante aangevoerd dat het vakantiegeld, de dertiende maand en de bijdrage Individueel Sparen maandelijks werden uitbetaald, zonder dat daar een reservering tegenover staat. Deze betalingen moeten volgens appellante, evenals het gewone maandsalaris, daarom worden opgevat als een maandelijkse betaling. De factor B, zoals genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, geldt alleen voor de bedragen die worden uitbetaald ten laste van een daartoe door de werkgever gedane reservering vanuit het arbeidsvoorwaardenbedrag. Dit betekent volgens appellante dat voor de berekening van het WW-dagloon de maandelijkse betalingen van het vakantiegeld en de dertiende maand niet tot de factor B behoren en daarom niet kunnen worden afgetrokken van het sv-loon in de referteperiode, de factor A. Verder heeft appellante aangevoerd dat het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon is uitgegaan van onjuiste bedragen aan als loon genoten arbeidsvoorwaardenbedrag en aan opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag. Volgens appellante dient het Uwv uit te gaan van de bedragen die op de loonstroken zijn vermeld; dit zijn volgens appellante de juiste bedragen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft toegelicht dat in de polisadministratie de rubrieken ‘opbouw AVWB ’ en ‘opname AVWB ’ staan. In deze rubrieken verantwoorden werkgevers bij de loonaangifte de bedragen aan opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag en aan als loon genoten arbeidsvoorwaardenbedrag. Bij de vaststelling van het WW-dagloon is het Uwv uitgegaan van de bedragen zoals deze zijn opgenomen in de polisadministratie. Het Uwv mag uitgaan van de gegevens zoals deze in de polisadministratie staan, tenzij appellante aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Volgens het Uwv heeft appellante geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van het WW-dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van het Dagloonbesluit wordt onder arbeidsvoorwaardenbedrag verstaan een toekomstig loonbestanddeel dat wordt opgebouwd op grond van afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover deze opbouw kan leiden tot loon als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Op grond van artikel 1, aanhef en onder e van het Dagloonbesluit wordt onder loon dat is uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag verstaan het door de werkgever uitbetaalde loon in de zin van de Wfsv en de Wet op de loonbelasting 1964 dat ten laste komt van een opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag. 5.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het dagloon van een uitkering op grond van de WW de uitkomst van de volgende berekening: (A – B + C) / D waarbij: A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers; B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag; C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode. 5.3. Partijen hebben terecht opgemerkt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft verwezen naar de artikelen 14 en 15 van het Dagloonbesluit. Deze artikelen zijn van toepassing op de vaststelling van het dagloon voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Voor de vaststelling van het WW-dagloon zijn de artikelen 3 tot en met 5 van het Dagloonbesluit van toepassing. Voor het inhoudelijke oordeel van de rechtbank heeft dit geen gevolgen, aangezien de rechtbank wel terecht artikel 5 van het Dagloonbesluit heeft toegepast, waarin de rekenformule voor het WWdagloon is opgenomen. 5.3.1. Geoordeeld wordt dat het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit juist heeft toegepast. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 4.7 van de destijds geldende CAO had appellante iedere maand recht op een bedrag van ongeveer 20% van haar maandsalaris aan Mijn Keuze Budget (Budget). Dit Budget bestond uit een bedrag aan vakantiegeld, dertiende maand en een Bijdrage Individueel Sparen. Het Budget betreft dus een arbeidsvoorwaardenbedrag in de zin van het Dagloonbesluit. In de CAO is bepaald dat het opgebouwde arbeidsvoorwaardenbedrag maandelijks wordt uitbetaald als de werknemer geen (andere) keuze heeft gemaakt ter besteding van het opgebouwde bedrag. Anders dan appellante heeft aangevoerd, komen de maandelijkse uitbetaalde bedragen aan vakantiegeld, de dertiende maand en de bijdrage Individueel Sparen ten laste van een opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag. Dat het bedrag dat appellante in een maand heeft opgebouwd aan arbeidsvoorwaardenbedrag in diezelfde maand wordt uitbetaald, maakt niet dat er geen maandelijkse opbouw plaatsvindt. Zoals op de zitting is besproken geldt dat ook als het bedrag dat wordt opgebouwd in dezelfde maand wordt uitbetaald de werkgever dit bedrag bij zijn loonaangifte van die maand moet verantwoorden; hij moet dan bij de loonaangifte de opbouw en de uitbetaling apart verantwoorden. De opbouw telt immers mee voor het dagloon (factor C) en het uitbetaalde bedrag niet (factor B). Zou appellante worden gevolgd in haar redenering dan zou het arbeidsvoorwaardenbedrag dubbel worden meegeteld bij de berekening van het WW-dagloon, omdat het opgebouwde arbeidsvoorwaardenbedrag als factor C wordt opgeteld bij factor A. Dit betekent dat het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon terecht de maandelijkse betalingen van de vakantietoeslag en de dertiende maand heeft afgetrokken van het sv-loon in de referteperiode. 5.3.2. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv is uitgegaan van onjuiste bedragen aan opgebouwd en als loon uitbetaald arbeidsvoorwaardenbedrag. Het Uwv is voor de factoren B en C, zoals genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, uitgegaan van de bedragen die in de polisadministratie zijn vermeld onder de rubrieken ‘Opname arbeidsvoorwaardenbedrag’ en ‘Opbouw arbeidsvoorwaardenbedrag’. Dit betreft de loongegevens zoals die door de werkgever zijn opgegeven bij de Belastingdienst. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Appellante heeft met het in beroep ingebrachte overzicht met afwijkende bedragen niet aangetoond dat de loonaangifte van de werkgever onjuist is. Daartoe overweegt de Raad dat appellante de maandelijkse uitbetaalde bedragen aan vakantiegeld, dertiende maand en bijdrage Individueel Sparen niet heeft opgenomen in haar overzicht, terwijl deze bedragen wel behoren tot het uitbetaalde arbeidsvoorwaardenbedrag. Gelet op deze omstandigheden heeft appellante nog niet aangetoond dat de gegevens over het arbeidsvoorwaardenbedrag in de polisadministratie onjuist zijn. Conclusie en gevolgen 5.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv het WW-dagloon terecht heeft vastgesteld op € 205,23. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) G.T. Hunsel Bijlage: voor deze zaak relevante wettelijke bepalingen Dagloonbesluit werknemersverzekeringen Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d en e: In dit besluit wordt verstaan onder: d. arbeidsvoorwaardenbedrag: het aan de werknemer toegekende en in geld uitgedrukte toekomstige loonbestanddeel, niet zijnde een afzonderlijke opbouw van vakantiebijslag, dat is opgebouwd ingevolge afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover dit toekomstige loonbestanddeel kan leiden tot loon als bedoeld in artikel 16 van de Wfsv. e. bedrag dat als loon is uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag: het door de werkgever als loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv uitbetaalde bedrag ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag voor zover dit loon belastbaar is op grond van de Wet op de loonbelasting 1964; Artikel 5, eerste lid: Het dagloon van een uitkering op grond van de WW is de uitkomst van de volgende berekening: (A – B + C) / D waarbij: A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers; B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag; C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode. Waarbij ‘AVWB’ staat voor arbeidsvoorwaardenbedrag. Zie vorige noot. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 7 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2015:2789 en 13 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1386.