Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-21
ECLI:NL:CRVB:2026:86
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1789 WAO Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2024, 23/5194 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 21 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant over het jaar 2021 een bedrag van € 4.146,06 bruto te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen en dit bedrag terecht heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en hierop een toelichting gegeven. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontvangt vanaf 1990 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Naast de WAO-uitkering heeft hij inkomsten als zelfstandig taxichauffeur . 1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 31 juli 2015 het inkomen van appellant over de jaren 2009, 2010, 2012 en 2013 vastgesteld met toepassing van artikel 44 van de WAO en bij besluit van 5 augustus 2015 in verband hiermee onverschuldigde betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij uitspraak van de Raad van 4 maart 2020 zijn deze besluiten in rechte komen vast te staan. 1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2022 de WAO-uitkering van appellant over het jaar 2021 definitief vastgesteld met toepassing van artikel 44 van de WAO. Op grond van de door de Belastingdienst aan het Uwv doorgegeven fiscale winst over het jaar 2021 van € 5.555,- is de WAO-uitkering van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 vastgesteld op € 666,20 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 op € 672,73 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Appellant heeft over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 € 4.146,06 bruto te veel uitkering ontvangen. Dit bedrag heeft het Uwv teruggevorderd. 1.4. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft toegelicht dat de WAOuitkering over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 verlaagd is omdat uit de definitieve aanslag van de Belastingdienst over 2021 volgt dat de fiscale winst over het jaar 2021 vanwege de ondernemersaftrek € 5.555,- bedraagt. Op basis hiervan is de WAO-uitkering over 2021 vastgesteld. Volgens het Uwv is er geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Over de grond van appellant dat hij een verlies heeft geleden van € 671,- en dat zijn inkomen op nihil moet worden gesteld heeft de rechtbank overwogen dat een bijtelling bij zijn inkomen over 2021 van € 6.226,- heeft plaatsgevonden voor het privégebruik van zijn auto. Op grond van artikel 44 van de WAO en artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, en derde lid van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (hierna: de Regeling) telt dit als ondernemersaftrek mee voor het inkomen. Daarmee is het inkomen uitgekomen op (- /- € 671,- plus € 6.226,-) € 5.555,-. Over het beroep op dringende reden heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen feiten en omstandigheden over de oorzaak van de terugvordering heeft aangevoerd. Over de gevolgen heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant miskent dat het privégebruik van de auto als inkomen wordt gezien. Dat appellant een