Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-21
ECLI:NL:CRVB:2026:84
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1109 WIA, 24/1787 WIA Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2024, 23/595 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 21 januari 2026 SAMENVATTING Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de startdatum van de uitlooptermijn van 24 maanden als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA moet worden verschoven naar 26 juni 2023, zijnde de dag waarop met een gewijzigde beslissing op bezwaar een nieuwe functie is aangezegd. Het Uwv heeft aangevoerd dat de startdatum van de uitlooptermijn niet moet worden verschoven, omdat de nieuw geselecteerde functie valt binnen een eerder geselecteerde SBC-code en in het verlengde ligt van een functie die betrokkene eerder is aangezegd. Betrokkene heeft gesteld dat de betreffende functies niet gelijksoortig zijn en daarom ten onrechte in dezelfde SBCcode zijn ingedeeld. De Raad volgt het standpunt van het Uwv en komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene is van mening dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. Het incidenteel hoger beroep slaagt dus niet. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. E. Weijer, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep en vragen van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Weijer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als senior employee operations voor gemiddeld 38,74 uur per week. Op 29 juni 2018 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 26 juni 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. 1.2. Bij besluit van 20 april 2022 heeft het Uwv betrokkene na afloop van de loongerelateerde periode met ingang van 26 juni 2022 (datum in geding) in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij betrokkene onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht. 1.3. De (ex-)werkgever van betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 april 2022 en aangevoerd dat aan dit besluit ten onrechte geen actueel medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor betrokkene functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 47,42%. 1.4. Met een brief van 6 oktober 2022 heeft het Uwv aan betrokkene en zijn (ex)werkgever het voornemen bekend gemaakt om het besluit van 20 april 2022 te wij Aangezien met bestreden besluit 2 een nieuwe functie is aangezegd, waardoor de restverdiencapaciteit en de inkomenseis wijzigen, gaat de uitlooptermijn pas lopen vanaf 26 juni 2023. Dat het om functies gaat binnen dezelfde SBCcode is onvoldoende relevant. Het standpunt van het Uwv 3. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de uitlooptermijn. Het Uwv heeft aangevoerd dat vanaf de datum van bestreden besluit 2 geen nieuwe uitlooptermijn gaat lopen, omdat de vervangende functie in het verlengde ligt van de functie die oorspronkelijk was geselecteerd. In de uitspraak van de Raad van 15 april 2020 ziet het Uwv een bevestiging van dit standpunt. Het standpunt van betrokkene 4. Betrokkene is het eens met het oordeel van de rechtbank over de aanvang van de uitlooptermijn. Hij is van mening dat de functies medewerker bloemkwekerij en champignonplukker op essentiële punten dusdanig van elkaar verschillen dat het niet terecht is dat deze zijn ingedeeld in dezelfde SBC-code. Betrokkene heeft er in dit verband op gewezen dat het gaat om verschillende taken, dat het persoonlijk risico in de beide functies anders van aard is en dat ook de temperatuur waarin gewerkt moet worden verschilt. Bovendien is de functie medewerker bloemkwekerij een functie die met name staand wordt verricht, terwijl de functie champignonplukker ook zittend op een verrijdbaar zadelkrukje mag worden uitgevoerd. 4.1. Betrokkene is het niet eens met de overwegingen van de rechtbank over de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene heeft aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten die hij heeft aan zijn handen en polsen als gevolg van het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS). Aan de rechterpols is hij geopereerd, maar deze operatie is mislukt en hij kampt nog steeds met krachtverlies waardoor hij problemen heeft met grijpen. Ook links heeft hij last van CTS. Betrokkene is van mening dat de verzekeringsarts ten onrechte alleen de beweeglijkheid van de polsen heeft onderzocht en niet heeft gekeken naar de grijpkracht. Verder heeft het Uwv volgens betrokkene de ernst van zijn psychische klachten onderschat. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat hij in de lente van 2022, dus kort voor de datum in geding, tweemaal een suïcidepoging heeft gedaan. Ook heeft betrokkene erop gewezen dat hij medicijnen gebruikt die de rijvaardigheid beïnvloeden, namelijk citalopram en temazepam. Onder andere uit de bijsluiters bij deze medicijnen blijkt dat het gebruik van een combinatie van medicijnen een sterkere invloed heeft op de rijvaardigheid dan het gebruik van slechts één medicijn. Tot slot heeft betrokkene aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen binnen de voor hem vastgestelde beperkingen. 4.2. Het Uwv heeft met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2025 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2025 gereageerd op wat betrokkene heeft aangevoerd. Het oordeel van de Raad Het hoger beroep van het Uwv 5. In artikel 60, derde lid, van de Wet WIA is bepaald – kortgezegd – dat in de situatie waarin de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen van 80 tot 100% naar 35 tot 80% gedurende 24 kalendermaanden geen inkomenseis geldt. 5.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA genoemde uitlooptermijn van 24 kalendermaanden gaat lopen vanaf de datum waarop de functies aan de betrokkene zijn aangezegd. Uit de door het Uwv genoemde uitspraak van de Raad van 15 april 2020 volgt dat als gedurende de procedure een functie komt te vervallen en daarvoor in de plaats een vervangende functie wordt geselecteerd binnen dezelfde SBCcode, dit geen gevolgen heeft voor (de startdatum van) de uitlooptermijn. Betrokkene heeft dit niet betwist, maar voert aan dat de functies medewerker bloemkwekerij en champignonplukker ten onrechte zijn ingedeeld in dezelfde SBC-code De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 2 oktober 2025 toegelicht dat geen sprake is van een groot verlies aan knijpkracht maar van angst om kracht te zetten en dat daarvoor geen beperkingen aangenomen hoeven te worden. Hij heeft er daarbij ook op gewezen dat betrokkene niet voor de klachten onder behandeling is, wat wel zou zijn te verwachten als de klachten zo erg zijn als hij stelt. De Raad kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen. 6.1.3. Dat betrokkene psychische klachten heeft, was bekend bij de verzekeringsartsen van het Uwv. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 23 augustus 2022 blijkt dat zij betrokkene tijdens het spreekuur op 18 juli 2022 naar deze klachten heeft gevraagd. Betrokkene heeft daarop geantwoord dat hij citalopram als onderhoudsdosering gebruikt maar verder niet meer in behandeling is, hij heeft geen specifieke belemmeringen op dit vlak geclaimd en gezegd dat er wat betreft de psychische problematiek geen ontwikkelingen waren. De verzekeringsarts heeft in het contact met betrokkene ook geen uitingen gezien van ernstig psychisch lijden. Gezien de eerder aanwezige ernstige depressie en medicamenteuze onderhoudsbehandeling was enige (stress)gevoeligheid volgens de verzekeringsarts aannemelijk. Daarom heeft zij de beperking die bij de eerdere WIAbeoordeling waren aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren overgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de huisarts en daarbij onder andere gevraagd naar de psychische klachten. In een brief van 13 december 2022 heeft de huisarts geschreven dat betrokkene voor deze klachten onder behandeling is geweest bij de POH-GGZ en medicatie kreeg voorgeschreven. Hiervan verbeterden de klachten wel wat, maar hij stopte ook wel eens met de medicatie en dan ging het slechter. In september 2020 was de bedoeling dat betrokkene zou worden verwezen naar Pro Persona, maar hij was niet bereikbaar en reageerde niet op de vraag om contact op te nemen met de praktijk. In december 2022 heeft hij weer een consult gehad. Toen is de medicatie verhoogd en is hij verwezen naar een psycholoog. Uit de in het dossier aanwezige huisartsenjournaals blijkt dat betrokkene rond de datum in geding regelmatig de huisarts heeft bezocht voor andere klachten maar geen melding heeft gemaakt van (een toename van) psychische klachten. Gelet op het voorgaande ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat de verzekeringsartsen de ernst van de psychische klachten hebben onderschat. 6.1.4. Wat betreft het medicatiegebruik heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 juni 2023 toegelicht dat bij het gebruik van citalopram geadviseerd wordt om de eerste week na het starten van de medicatie rekening te houden met mogelijke bijwerkingen. Betrokkene krijgt dit middel al geruime tijd voorgeschreven en de effecten op de alertheid zijn gering. Bij het gebruik van temazepam in de voor betrokkene voorgeschreven dosis geldt dat alleen in de eerste acht uur na inname wordt verwacht dat sufheid optreedt. Omdat dit middel wordt voorgeschreven ter ondersteuning van het inslapen zal betrokkene het voor de nacht innemen en zal overdag geen sprake zijn van verminderde alertheid. In aanvulling daarop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in het rapport van 2 oktober 2025 nog op gewezen dat het psychisch toestandsbeeld van betrokkene niet de indruk wekt dat het nadelig wordt beïnvloed door het medicatiegebruik en dat dit ook niet blijkt uit de informatie van de behandelend sector. De Raad kan deze toelichting volgen. Overigens is het middel temazepam niet opgenomen in de opsomming van gebruikte medicatie in het rapport van de verzekeringsarts van 23 augustus 2022. Uit de in het dossier aanwezige medische informatie blijkt dat betrokkene dit middel in 2018 heeft gebruikt en dat het in december 2022 opnieuw is voorgeschreven, maar niet dat hij dit op de datum in geding gebruikte.