Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-18
ECLI:NL:CRVB:2026:823
Geen sprake van een bedrijfsongeval. Deelname aan de stapavond had een vrijwillig karakter en is niet gelijk te stellen met het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden. Bevestiging van de aangevallen uitspraak. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1501 MPW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2024, 23/3982 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) Datum uitspraak: 18 juni 2026 SAMENVATTING In deze zaak verschillen partijen van mening hoe het ongeval dat appellant is overkomen in het buitenland tijdens een stapavond met collega’s gekwalificeerd moet worden. Appellant vindt dat sprake is van een bedrijfsongeval. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deelname aan de stapavond een vrijwillig karakter had en niet gelijk te stellen is met het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden. Het ongeval is daarom terecht niet aangemerkt als bedrijfsongeval. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.C. Coppens, advocaat, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. D.C. Coppens en de partner van appellant. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Braun. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant is als militair in dienst van Defensie en heeft deelgenomen aan een militaire oefening in [land] . De militairen die deelnamen aan de oefening zijn in de gelegenheid gesteld om na de militaire oefening te ontspannen (de weekend-break). Alcoholgebruik was daarbij toegestaan. Er was een bus geregeld vanuit de kazerne naar de stad. Tijdens de weekend-break is appellant op [datum] 2022 na een stapavond door een collega mishandeld op de aangewezen verzamelplaats voor de busreis terug naar de kazerne. Hij heeft hier verschillende medische klachten aan overgehouden. Van het ongeval is een proces-verbaal opgemaakt. 1.2. Bij besluit van 6 april 2023 heeft de staatssecretaris het ongeval dat appellant op [datum] 2022 is overkomen, noch als bedrijfsongeval noch als dienstongeval aangemerkt. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt, omdat volgens hem sprake is van een bedrijfsongeval. 1.3. Bij besluit van 2 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het ongeval heeft niet plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de militaire dienst, in de zin van het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder a, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen (Besluit AO/IV). Er is geen expliciete dienstopdracht verstrekt om onderdeel te zijn van de weekend-break. Deelname is volledig vrijwillig geweest. Ook is er geen sprake geweest van het verrichten van dienst gerelateerde handelingen of activiteiten als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b en c van het Besluit AO/IV. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris op goede gronden heeft besloten het incident van [datum] 2022 niet als een bedrijfsongeval aan te merken. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat deelname aan de weekend-break en de daartoe behorende stapavond een vrijwillig karakter hadden. Er bestond voor appellant geen verplichting om aan deze activiteit deel te nemen. Dat de militairen die hieraan deelnamen wel werden geacht tijdig te verzamelen om terug te gaan aan het einde van de avond, maakt niet dat appellant op dat moment wel weer in de uitoefening van de militaire dienst was omdat hij gehoor zou hebben gegeven aan een dienstbevel. Het incident heeft niet plaatsgevonden tijdens de dienstuitoefening en stond ook niet in verband met enigerlei dienstverrichting. Dat de staatssecretaris niet zou hebben voldaan aan zijn zorgplicht jegens appellant, is niet relevant voor de vraag of het incident kan worden gekwalificeerd als een bedrijfsongeval. Ditzelfde geldt voor het betoog van appellant dat de staatssecretaris in strijd zou hebben gehandeld met het goed werkgeverschap. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de militaire dienst en daarom is te kwalificeren als bedrijfsongeval. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant zijn standpunt herhaald dat aan de deelnemende militairen opgedragen was om te verzamelen op een bepaald punt en tijdstip, wat het einde van de vrije tijd markeerde, en dat de verzamelplaats en het transport onder het gezag van Defensie stonden. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Appellant heeft in hoger beroep in essentie de in beroep aangevoerde gronden herhaald. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris het ongeval van appellant terecht niet als bedrijfsongeval heeft aangemerkt. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat de deelname aan de stapavond een vrijwillig karakter had en niet gelijk te stellen is met het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden. De Raad onderschrijft de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen, zoals weergegeven onder 2, en volstaat met een verwijzing hiernaar. Conclusie en gevolgen 4.2. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 4.3. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot als voorzitter en B. Serno en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026. (getekend) G.C. Boot (getekend) A.A. Verweij Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemeen militair ambtenarenreglement Artikel 147 1. Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in werkelijke dienst tijdens de uitoefening van de dienst is overkomen, zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. De militair is verplicht, zodra hij daartoe redelijkerwijs in staat is, kennis te geven van een hem overkomen ongeval als vorenbedoeld aan zijn commandant. (..) 3. Onze Minister beslist of het ongeval waarop een proces-verbaal betrekking heeft, wordt geacht wel of niet in verband te staan met de uitoefening van de dienst, van welke beslissing de militair schriftelijk in kennis wordt gesteld. (..) Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder arbeidsongeschiktheid met dienstverband verstaan: een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekten of gebreken, die in overwegende mate hun oorzaak vinden in de aard van de aan de militair opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder zij moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten. 2. (…) 3. (…) 4. Onder uitoefening van de militaire dienst wordt verstaan: a. de uitvoering van expliciet of impliciet gegeven dienstopdrachten of dienstbevelen; b.