Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-10
ECLI:NL:CRVB:2026:820
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/1508 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2025, 23/8055 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 10 juni 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de eerste ziektedag heeft vastgesteld op 28 februari 2022 en de aan appellant met ingang van 3 oktober 2022 toegekende ZWuitkering terecht heeft gebaseerd op een dagloon van € 104,91. Volgens appellant moet de eerste ziektedag op 28 maart 2013 worden vastgesteld en moet in het verlengde daarvan het ZW-dagloon op een andere referteperiode worden gebaseerd en hoger worden vastgesteld. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de toekenning van de ZW-uitkering per 3 oktober 2022 naar een dagloon van € 104,91 in stand blijft. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. M. Tracey, kantoorgenoot van mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Appellant is op 1 december 2005 in dienst getreden bij [naam B.V.1] ” ( [B.V.1] ). Op 28 maart 2013 heeft hij zich ziekgemeld voor zijn werk als op dat moment internationaal accountmanager bij [B.V.1] met lichamelijke klachten veroorzaakt door colitis ulcerosa. Op 21 januari 2014 is appellant hersteld gemeld voor dit werk. Het dienstverband van appellant is op 31 mei 2016 geëindigd na het tekenen van vaststellingsovereenkomst. Vanaf 1 juni 2016 is aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Van 1 februari 2017 tot 1 februari 2019 heeft appellant gewerkt als accountmanager bij [naam B.V.2] 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker internationale klantenservice bij [naam B.V.3] voor gemiddeld 36 uur per week. Op 28 februari 2022 heeft hij zich ziekgemeld met toenemende klachten veroorzaakt door – wederom – colitis ulcerosa. Zijn dienstverband is op 1 oktober 2022 geëindigd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 oktober 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 104,91. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit wat betreft de hoogte van het dagloon. Volgens appellant moet hij als zogenaamde medische afzakker worden beschouwd, omdat hij sinds 2016 stapsgewijs lager betaald werk is gaan verrichten in verband met zijn door colitis ulcerosa veroorzaakte gezondheidsproblemen. Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2022 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. 1.2. Bij brief van 9 januari 2023 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht hem als medische afzakker te beschouwen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een verzekeringsarts onderzoek gedaan. Bij besluit van 21 februari 2023 heeft het Uwv de toekenning van de ZW-uitkering naar het dagloon van € 104,91 gehandhaafd. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze zaak over het verzoek van appellant hem als medische afzakker te beschouwen en heeft het Uwv terecht geoordeeld dat appellant niet als zodanig kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek van appellant om de eerste ziektedag te laten verleggen (naar het verleden), buiten de omvang van het gedin