Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-11
ECLI:NL:CRVB:2026:775
Appellante heeft tussen 1 november 2002 en 31 augustus 2008 studiefinanciering ontvangen en een studieschuld opgebouwd. In 2022 heeft de minister onder een beslissing op een verzoek om verlegging van het peiljaar vermeld dat van de aflosfase van 180 maanden op 1 februari 2022 nog 119 maanden resteerden. Hiermee is appellante het niet eens, maar wat zij daartoe heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat appellantes bezwaar en beroep ten onrechte ongegrond zijn verklaard. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 23/2756 WSFBSF Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 augustus 2023, 22/2205 (aangevallen uitspraak). Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 11 juni 2026 SAMENVATTING Appellante heeft tussen 1 november 2002 en 31 augustus 2008 studiefinanciering ontvangen en een studieschuld opgebouwd. In 2022 heeft de minister onder een beslissing op een verzoek om verlegging van het peiljaar vermeld dat van de aflosfase van 180 maanden op 1 februari 2022 nog 119 maanden resteerden. Hiermee is appellante het niet eens, maar wat zij daartoe heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat appellantes bezwaar en beroep ten onrechte ongegrond zijn verklaard. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang. 1.1. Appellante heeft tussen 1 november 2002 en 31 augustus 2008 op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering ontvangen en een studieschuld opgebouwd. 1.2. Bij bericht van 17 januari 2022 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat op haar verzoek rekening wordt gehouden met een inkomensdaling na het peiljaar bij de bepaling van de bedragen die zij in 2022 op haar studieschuld moet aflossen. Dit leidde ertoe dat appellante van februari 2022 tot en met december 2022 maandelijks niets op haar studieschuld hoefde af te lossen. In een, in het bericht van 17 januari 2022 opgenomen, overzicht is vermeld dat appellante op 1 februari 2022 nog € 17.125,05 studieschuld had en dat van de aflosfase van 180 maanden op dat moment nog 119 maanden resteerden. 1.3. Vervolgens heeft appellante bezwaar gemaakt op de grond dat de resterende duur van de aflosfase bij het onder 1.2 aangeduide besluit onjuist is vastgesteld. Dit bezwaar is bij beslissing van 28 maart 2022 (bestreden besluit) door de minister ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar artikel 6.5 van de Wsf 2000 en in aanmerking genomen dat appellante na de stopzetting van haar studiefinanciering (en verlenging van de voor haar geldende diplomatermijn) nog tot september 2014 heeft gestudeerd, en dat de terugbetalings-periode in verband daarmee na een verzoek van appellante van maart 2010 bij besluit van 6 juni 2010 is geschorst. De aflosfase van appellante is uiteindelijk pas op 1 januari 2017 gestart, zodat op 1 februari 2022 nog 119 maanden van haar aflosfase resteerden. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante daartoe heeft aangevoerd wordt hieronder besproken. Het standpunt van de minister 4. De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. De Raad stelt vast dat de omvang van de studieschuld van appellante op 1 februari 2022 en de berekening van het in 2022 maandelijks door haar terug te betalen bedrag niet in geschil zijn. Het geschil beperkt zich blijkens het hoger beroepschrift tot de vraag of op 1 februari 2022 nog 119 maanden resteerden van de aflosfase van appellante. 5.2. Appellante heeft in hoofdzaak aangevoerd dat zij de minister in maart 2010 niet heeft gevraagd om haar terugbetalingsperiode te schorsen, maar om haar draagkracht vast te stellen. Volgens appellante gaat de minister er daarom ten onrechte vanuit dat de aflosfase van appellante pas op 1 januari 2017 is gestart. Het schorsingsbesluit van 6 juni 2010 heeft appellante naar haar zeggen destijds niet ontvangen. Omdat de minister volgens appellante uitgaat van een onjuiste startdatum van de aflosfase, is de op 1 februari 2022 nog resterende duur van de aflosfase volgens appellante eveneens onjuist vastgesteld. 5.3. De Raad verwerpt het standpunt dat appellante ingenomen heeft. Gelet op de bewoordingen van het verzoek van appellante van maart 2010, heeft de minister dit kunnen en mogen opvatten als een verzoek van appellante om de terugbetalingsperiode te schorsen zolang zij student was en geen studiefinanciering genoot. Indien appellante haar verzoek anders zou hebben bedoeld dan opgevat door de minister, had het op haar weg gelegen om de schorsing te beëindigen door bezwaar te maken tegen het schorsingsbesluit van 6 juni 2010 of – als zij het schorsingsbesluit niet zou hebben ontvangen – tegen het uitblijven van besluiten waarbij haar draagkracht (jaarlijks) werd vastgesteld. 5.4. Appellante heeft bovendien geen bezwaar gemaakt tegen een besluit van 6 maart 2015 waarin haar is medegedeeld dat haar aflosfase op 1 januari 2017 zou aanvangen. Met dit besluit is de datum van de start van de aflosfase onherroepelijk geworden. Overigens heeft zij tot 2022 evenmin bezwaar gemaakt tegen verschillende besluiten over de aflossing die (mede) zijn gebaseerd op 1 januari 2017 als startdatum van haar aflosfase. 5.5. Gelet op 5.3 en 5.4 heeft de minister de resterende duur van de aflosfase van appellante naar het oordeel van de Raad bij besluit van 17 januari 2022 terecht vastgesteld op 119 maanden. Bij het bestreden besluit is dit besluit dan ook terecht in stand gelaten en de rechtbank heeft het beroep van appellante hiertegen terecht ongegrond verklaard. Conclusie en gevolgen 5.6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Wet studiefinanciering 2000 Artikel 6.5. – Terugbetalingsperiode 1. De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten. 2. De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase. 3. Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst: a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, geniet; b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw student is en geen studiefinanciering geniet; of c. op de wijze bepaald krachtens artikel 6.19b zolang de debiteur opnieuw student is en levenlanglerenkrediet geniet. 4. (…) 5.