Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-11
ECLI:NL:CRVB:2026:766
Afwijzing aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het TBSH, op de grond dat betrokkene jonger was dan 18 jaar toen hij in 1971 vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. Volgens de rechtbank is toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in dit geval onredelijk bezwarend, omdat betrokkene een volledig zelfstandige en bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen, wat aansluit bij het doel van de leeftijdsvoorwaarde. De Raad volgt de rechtbank niet en oordeelt dat de keuze voor de leeftijdsvoorwaarde als objectiveerbare maatstaf in het TBSH de aan te leggen zeer terughoudende evenredigheidstoets kan doorstaan. De omstandigheden waaronder betrokkene in 1971 naar Nederland is verhuisd maken niet dat toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in zijn geval onredelijk bezwarend is. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/2017 TBSH Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2025, 24/9426 (aangevallen uitspraak) Partijen: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 11 juni 2026 SAMENVATTING De Svb heeft de aanvraag van betrokkene om een tegemoetkoming op grond van het TBSH afgewezen op de grond dat betrokkene jonger was dan 18 jaar toen hij in 1971 vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. Volgens de rechtbank is toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in dit geval onredelijk bezwarend, omdat betrokkene een volledig zelfstandige en bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen, wat aansluit bij het doel van de leeftijdsvoorwaarde. De Raad volgt de rechtbank niet en oordeelt dat de keuze voor de leeftijdsvoorwaarde als objectiveerbare maatstaf in het TBSH de aan te leggen zeer terughoudende evenredigheidstoets kan doorstaan. De omstandigheden waaronder betrokkene in 1971 naar Nederland is verhuisd maken niet dat toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in zijn geval onredelijk bezwarend is. PROCESVERLOOP De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. G.E. Eind en mr. P. van der Voorn, medewerkers van de Sociale Verzekeringsbank. Betrokkene is verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang. 1.1. Betrokkene is op [geboortedatum] 1953 in Suriname geboren. Hij is in april 1971 vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. Op het pensioen dat betrokkene is toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is 2% korting toegepast, omdat hij voor zijn verhuizing naar Nederland in 1971 niet verzekerd was voor de AOW. 1.2. Betrokkene heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Bij besluit van 16 augustus 2024, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 oktober 2024, is afwijzend op deze aanvraag beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene niet heeft voldaan aan de voorwaarde in het TBSH dat hij achttien jaar of ouder was op het moment dat hij in Nederland kwam wonen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat de minister het eenmalig bedrag van € 5.000,- toekent. Volgens de rechtbank is de afwijzing van de aanvraag in het geval van betrokkene onredelijk bezwarend en daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de in artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH opgenomen leeftijdsvoorwaarde beoogt tot uitdrukking te brengen dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Betrokkene is op 17-jarige leeftijd alléén en zonder zijn ouders naar Nederland verhuisd en heeft alles rondom zijn verblijf en levensonderhoud in Nederland zelf moeten regelen. Uit deze omstandigheden volgt volgens de rechtbank dat betrokkene op 17-jarige leeftijd een volledig zelfstandige en bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen en om niet in Suriname te blijven, zodat zijn individuele situatie precies aansluit bij het doel van de leeftijdsvoorwaarde. Daarin heeft de rechtbank aanleiding gezien om deze leeftijdsvoorwaarde voor appellant buiten toepassing te laten. Het standpunt van de minister 3. De minister is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de leeftijdsvoorwaarde in artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel in het geval van betrokkene buiten toepassing moet blijven. Volgens de minister gaat dit oordeel verder dan de terughoudende toets op grond van het evenredigheidsbeginsel die de bestuursrechter in dit geval zou moeten toepassen. Dit omdat aan de leeftijdsvoorwaarde een bewuste politiek bestuurlijke overweging ten grondslag ligt, die bij de totstandkoming van het TBSH ook met de Tweede Kamer is besproken. Inherent aan deze keuze is dat een groep mensen vanwege het leeftijdsvereiste niet in aanmerking komt voor het eenmalig bedrag, terwijl zij wel een weloverwogen keuze voor Nederland hebben gemaakt. Volgens de minister is een (zeer) terughoudende toets in het bijzonder aangewezen, omdat het hier gaat om een onverplichte en begunstigende tegemoetkoming, er aan de zijde van appellant in dit geval geen fundamentele rechten in het geding zijn en er van appellant ook niets wordt afgenomen of teruggevorderd. 3.1. Door te oordelen dat betrokkene als (indertijd) minderjarige ook geacht kan worden tot de doelgroep te behoren, omdat zijn specifieke situatie aansluit bij het doel en de strekking van het TBSH, heeft de rechtbank volgens de minister in feite de doelgroep van het TBSH uitgebreid tot alle personen die een zelfstandige en bewuste keuze hebben gemaakt om voor de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland te komen (mits zij ook aan de overige voorwaarden voldoen). Zo’n afweging is echter voorbehouden aan de regelgever. 3.2. Volgens de minister dient voor het antwoord op de vraag of het bestreden besluit onevenredig bezwarend is gelet te worden op de huidige situatie van betrokkene en moet daarbij ook bezien worden in hoeverre de positie van betrokkene verschilt van die van anderen die (net) niet aan de leeftijdsvoorwaarde voldoen. Daarover heeft de rechtbank echter niets overwogen. Het standpunt van betrokkene 3.3. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft bepaald dat de minister betrokkene de tegemoetkoming van € 5.000,- toekent, aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Juridisch kader 4.1. Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van het TBSH. 4.2. Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij: uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst; voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde; ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond. Dit is bepaald in artikel 3 van het TBSH. Toepassing van de leeftijdsvoorwaarde 4.3. Uit de nota van toelichting bij het TBSH blijkt dat met de voorwaarde dat de persoon 18 jaar of ouder was op het moment van de verhuizing naar Nederland, tot uitdrukking is gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Bij deze leeftijd kan er volgens de nota van toelichting van worden uitgegaan dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Deze leeftijd sluit, aldus de nota van toelichting, aan bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. Uit de nota van toelichting kan verder worden afgeleid dat de regelgever bij de afbakening van het TBSH niet het oog heeft gehad op personen die op het moment van verhuizing naar Nederland te jong werden geacht om zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname te maken, maar die wel vervolgens, bij de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst en daarna, de keuze hebben gemaakt in Nederland te blijven. 4.4. Met de leeftijd van achttien jaar als moment waarop iemand bewust de keuze voor Nederland of Suriname kon maken, heeft de regelgever een objectiveerbare maatstaf aangelegd die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst. De regelgever heeft niet gekozen voor een reconstructie, tientallen jaren later, van de individuele omstandigheden en beweegredenen rondom de verhuizing van Suriname naar Nederland. 4.5. Zoals de Raad gemotiveerd heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 april 2026, kan deze keuze voor een leeftijdsvoorwaarde die aansluit bij artikel 1 van de Toescheidingsovereenkomst, als objectiveerbare maatstaf of een welbewuste keuze is gemaakt voor verhuizing naar Nederland, de hier aan te leggen zeer terughoudende rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan. In deze zaak resteert dan de vraag of toepassing van deze leeftijdsvoorwaarde in de situatie van betrokkene onredelijk bezwarend uitpakt. 4.6. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die hieraan niet voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Dit is het beoogde resultaat van het stellen van deze voorwaarde. Er is niet gebleken dat die voorwaarde in het geval van betrokkene nadeliger uitpakt dan door de regelgever is beoogd. Het ter zitting door betrokkene benadrukte feit dat hij is geconfronteerd met een blijvende korting op zijn AOW-pensioen vanwege een niet verzekerde periode in Suriname voorafgaand aan zijn verhuizing naar Nederland, maakt – gelet op doelgroep van het TBSH – niet dat hij zich onderscheidt van andere aanvragers van de TBSH-tegemoetkoming. Ook verder is niet gebleken van omstandigheden waardoor het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend uitpakt. Dat aannemelijk is dat betrokkene een volledig zelfstandige en bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen en niet in Suriname te blijven, aangezien hij in 1971 op 17-jarige leeftijd alléén en zonder zijn ouders naar Nederland is verhuisd en alles rondom zijn verblijf en levensonderhoud in Nederland zelf moest regelen, leidt niet tot een ander oordeel. Conclusie en gevolgen 4.7. Het hoger beroep van de minister slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van betrokkene zal alsnog ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van betrokkene om een tegemoetkoming op grond van het TBSH in stand blijft. 5. Omdat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft, wordt van de minister voor het ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven. Omdat het hoger beroep van de minister slaagt, krijgt betrokkene geen vergoeding voor zijn proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Kaderwet SZW-subsidies Artikel 1, eerste lid 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2. Artikel 2 Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in: het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid; het arbeidsomstandighedenbeleid; het arbeidsverhoudingenbeleid; het inkomensbeleid; het socialezekerheidsbeleid; het kinderopvangbeleid; het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid. Artikel 3, eerste lid Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot: a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt; b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald; c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover; d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend; e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger; f. de vaststelling van de subsidie; g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling; h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten; i. andere criteria voor de verstrekking van subsidie. Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst Artikel 2 Doel van het besluit Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheids-proces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Artikel 3 V oorwaarden recht op eenmalig bedrag Een persoon heeft recht op een eenmalig bedrag, indien deze: uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst; voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde; ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond. Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname Artikel 1, eerste lid Meerderjarig in de zin van deze overeenkomst zijn zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden. (…) Artikel 2 1. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. 2.