Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-03
ECLI:NL:CRVB:2026:756
Weigering (eerder) vastgestelde WIA-dagloon te verhogen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het Uwv het verzoek om het dagloon aan te passen niet had mogen afwijzen. Het beroep op artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM slaagt niet. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is, is gebaseerd op de omstandigheid dat alle gegevens voorhanden zijn die een herberekening van het SV-loon in de referteperiode mogelijk maken, waarbij de financiële gevolgen voor betrokkene groot zijn, terwijl de uitvoeringskosten gelet op de voorhanden zijnde gegevens relatief beperkt blijven. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt vervolgens met zich dat de Raad de door de rechtbank onbesproken gelaten gronden van het beroep moet beoordelen. Betrokkene heeft echter ter zitting bevestigd dat er geen gronden zijn die de rechtbank onbesproken heeft gelaten. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/740 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 maart 2025, 24/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 3 juni 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd het eerder vastgestelde WIAdagloon te verhogen, ondanks het feit dat ex-werkgeefster van betrokkene haar een nabetaling heeft gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1, Eerste Protocol van het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank niet en is verder van oordeel dat het bestreden besluit voor betrokkene geen onevenredig nadelige gevolgen heeft. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. K. Aslan een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Voor het Uwv is drs. H. ten Brinke verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene heeft vanaf 16 oktober 2017 gewerkt als interieurverzorgster voor 38 uur per week bij [naam ex-werkgeefster] (ex-werkgeefster). Op 4 oktober 2020 heeft zij zich ziekgemeld. 1.2. Met het besluit van 11 augustus 2022 heeft het Uwv aan betrokkene vanaf 5 oktober 2022 een IVAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De IVA-uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 92,34 (na indexatie). Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2022 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Betrokkene heeft hiertegen geen beroep ingesteld. 1.3. Op 20 juni 2023 hebben betrokkene en ex-werkgeefster een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van ex-werkgeefster eindigt op 1 juli 2023 en dat ex-werkgeefster een nabetaling van bruto € 19.500,- zal voldoen inzake loon, vakantiedagen, wettelijke verhoging en wettelijke rente, doorbetaling van gemiddelde overuren tijdens ziekte en pensioenschade. 1.4. Bij brief van 20 juni 2023 heeft betrokkene – onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst – het Uwv verzocht om het dagloon van haar WIA-uitkering aan te passen. Het Uwv heeft het verzoek bij besluit van 18 september 2023 afgewezen. 1.5. Met de beslissing op bezwaar van 3 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2023 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat er geen wijziging van salarisgegevens in de polisadministratie heeft plaatsgevonden. Verder is niet gebleken dat het loon in de referteperiode van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020 vorderbaar en niet inbaar was. Het Uwv is daarom niet gehouden de nabetaling van € 19.500,- bij de berekening van het dagloon te betrekken. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen binnen zes weken na de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de referteperiode voor de berekening van het dagloon loopt van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020. De rechtbank is verder van oordeel dat betrokkene voldoende heeft onderbouwd dat de nabetaling van € 19.500,- mede betrekking heeft op de referteperiode. Tussen partijen is immers niet in geschil, althans door het Uwv is niet betwist, dat dit bedrag is uitgekeerd omdat betrokkene tijdens haar dienstverband structureel te weinig uren is ingezet en uitbetaald. Het deel van die nabetaling dat betrekking heeft op de referteperiode is vorderbaar loon. Het loon is immers verschuldigd over een loontijdvak en na afloop van dat tijdvak is het loon direct opeisbaar zonder ingebrekestelling. Dit laat evenwel onverlet dat nergens uit is gebleken dat betrokkene ook al in de referteperiode op niet mis te verstane wijze ex-werkgeefster heeft gemaand het vorderbare loon aan haar uit te keren. Nu daarvan niet is gebleken, sluit artikel 15 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), althans de uitleg die de Raad geeft aan het begrip ‘inbaar’, in beginsel uit dat de nabetaling (voor zover betrekking hebbend op de referteperiode) wordt betrokken bij de berekening van het dagloon. Aldus staat een strikte toepassing van artikel 15 van het Dagloonbesluit in de weg aan de herberekening van het dagloon van betrokkene. 2.2. De rechtbank heeft de vraag of deze toepassing van artikel 15 van het Dagloonbesluit, mede gelet op artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) in combinatie met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onevenredig nadelige gevolgen voor betrokkene heeft, bevestigend beantwoord. De rechtbank volgt het Uwv niet in diens standpunt dat toepassing van artikel 15 van het Dagloonbesluit niet onder de reikwijdte van artikel 1 van het EP valt. Naar het oordeel van de rechtbank valt het verschil in behandeling dat in artikel 15 van het Dagloonbesluit wordt gemaakt tussen personen die niet op niet mis te verstane wijze de werkgever in de referteperiode hebben gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren ten opzichte van personen die dit wel hebben gedaan, aan te merken als verschil in behandeling van gelijkwaardige gevallen op basis van een – identificeerbare – status. 2.3. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt volgens de rechtbank dat dit onderscheid alleen dan is toegegaan, als dit een legitiem doel dient en er een redelijke verhouding tussen de gebruikte middelen en het nagestreefde doel bestaat (evenredigheid). De rechtbank is van oordeel dat de doelstelling van het Dagloonbesluit – het op een eenvoudige wijze kunnen berekenen van het dagloon – op zichzelf legitiem is, nu die er onder andere toe kan dienen de uitvoeringskosten van het verzekeringssysteem beheersbaar te houden. De rechtbank is echter van oordeel dat het onderscheid in het concrete geval van betrokkene een onevenredig nadeel met zich brengt. Aangezien door ex-werkgeefster bij de vaststellingsovereenkomst is erkend, en tussen betrokkene en het Uwv ook niet in geschil is, dat betrokkene een werkelijke urenomvang van 38 uren had, kan op basis van deze gegevens het werkelijke salaris van betrokkene in de referteperiode eenvoudig worden geschat. Daarom doet een correctie van het dagloon in het concrete geval van betrokkene geen (grote) afbreuk aan de doelstelling van het Dagloonbesluit, terwijl het niet corrigeren van het dagloon voor betrokkene aanzienlijke financiële gevolgen kan hebben. Om die reden is een onverkorte toepassing van artikel 15 van het Dagloonbesluit in het concrete geval jegens betrokkene onevenredig belastend. Het Uwv had die bepaling in het concrete geval van betrokkene dan ook buiten toepassing moeten laten en moeten overgaan tot een correctie van haar dagloon. 2.4. De rechtbank heeft verder overwogen dat ook als wordt aangesloten bij de uitspraak van de Grote Kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 zij tot dezelfde conclusie komt, omdat uiteindelijk (‘onder de streep’) sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het bepaalde in artikel 15 van het Dagloonbesluit in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat alle gegevens voorhanden zijn die een herberekening van het SV-loon in de referteperiode mogelijk maken, waarbij de financiële gevolgen voor betrokkene groot zijn, terwijl de uitvoeringskosten gelet op de voorhanden zijnde gegevens relatief beperkt blijven. Het standpunt van het Uwv 3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens het Uwv kan het verschil tussen het vastgestelde dagloon en het dagloon gebaseerd op een urenomvang van 38 uur per week niet worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP. Nu betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 15 van het Dagloonbesluit had betrokkene niet een gerechtvaardigde verwachting dat het dagloon zou worden verhoogd. Er is dan ook geen sprake van (ontneming van) eigendom als bedoeld in artikel 1 van het EP. 3.1. Ook een beroep op artikel 14 van het EVRM kan niet slagen. Het verschil in behandeling tussen de groep die tijdig, dat wil zeggen in de referteperiode, de werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het vorderbare loon te betalen en de andere groep die dit niet heeft gedaan, is volgens het Uwv niet aan te merken als ‘andere status’ in de zin van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Het Uwv heeft erkend dat ‘status’ door het EHRM ruim wordt uitgelegd en niet alleen aangeboren of aan de persoon inherente eigenschappen betreft, maar is van mening dat het verschil in behandeling in deze zaak, te weten het wel of niet meenemen van het niet-uitbetaalde maar wel vorderbare loon, uitsluitend het gevolg is van (het nalaten van) een handeling van betrokkene. Het niet op niet mis te verstane wijze de werkgever manen het vorderbare loon te betalen kan dan ook niet gezien worden als een ‘andere status’ in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Volgens het Uwv is geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat op grond van rechtspraak van de Raad een nabetaling buiten de referteperiode buiten beschouwing moet worden gelaten. Verder heeft het Uwv benadrukt dat de nabetaling van ex-werkgeefster slechts voor een klein deel (€ 1.457,26) ziet op de referteperiode. Als dit bedrag zou worden betrokken bij de vaststelling van het dagloon, zou dit uitkomen op een bedrag van € 98,18 in plaats van € 92,34. Van bijzondere omstandigheden is volgens het Uwv geen sprake. Het standpunt van betrokkene 4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Betrokkene heeft benadrukt dat het Uwv in het hoger beroepschrift niet ingaat op het nationale evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft een groter bedrag van de nabetaling betrekking op de referteperiode. Ook de bedragen van € 6.081,43 en € 1.010,06 vallen deels binnen de referteperiode, zodat het Uwv ook deze bedragen mee zou moeten nemen bij de herberekening van het dagloon. Betrokkene heeft erop gewezen dat ook een verschil van € 95,33 bruto per maand een niet te bagatelliseren bedrag betreft. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de besluiten van 11 augustus 2022 en 11 november 2022 heeft vernietigd en het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Het juridisch kader 5.1. Artikel 14 van het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling: “Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.” 5.2. Toepassing van het Dagloonbesluit valt in een situatie als hier aan de orde onder de reikwijdte van artikel 1 van het EP bij het EVRM. Daarom kan getoetst worden aan het (accessoire) discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Ook kan worden getoetst aan artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Beide artikelen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. 5.3. De Raad stelt voorop dat het (vermeende) onderscheid dat hier centraal staat geen onderscheid is op grond van een inherent verdacht criterium, zoals bijvoorbeeld onderscheid op grond van geslacht of ras. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid met daarin een niet verdacht onderscheid komt aan verdragspartijen bij het EVRM in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. De door de regelgever gemaakte afwegingen en keuzes worden in beginsel gerespecteerd, tenzij deze ‘manifestly without reasonable foundation’ zijn (van redelijke grond ontbloot). In het kader van die toets geldt dat beoordeeld wordt of het middel redelijk en geschikt is om het legitieme doel te bereiken, en dat niet wordt bezien of de regeling de beste oplossing was voor het probleem, dan wel of de beoordelingsvrijheid op een andere manier moet worden toegepast. Is sprake van een verboden onderscheid? 5.4. Betrokkene doet een beroep op de “open norm” van artikel 14 van het EVRM. Gerede twijfel kan rijzen over de vraag of in dit geval sprake is van een onderscheid op grond van de in artikel 14 van het EVRM dan wel artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM genoemde grond “andere status”. Het gaat hier immers niet om een hoedanigheid van betrokkene maar slechts om het feit dat zij op een bepaald moment een bepaalde (rechts)handeling (al dan niet) heeft verricht. Voor zover echter wel sprake is van een onderscheid op grond van “andere status”, leidt dit naar het oordeel van de Raad niet tot een verboden onderscheid. 5.5. In artikel 15 van het Dagloonbesluit is in de keuze van de besluitgever neergelegd dat voor de vaststelling van het dagloon de werknemer wordt geacht loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Met deze hoofdregel wordt beoogd om het dagloon te kunnen vaststellen aan de hand van al bij het Uwv beschikbare loongegevens, wat bijdraagt aan de verlaging van administratieve lasten van werkgevers en de uitvoeringskosten voor het Uwv. Uit de toelichting bij het inmiddels vervallen artikel 2 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, een met artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit vergelijkbare bepaling, blijkt dat in de regel de uitkomst van de hoofdregel, te weten dat voor de vaststelling van het dagloon de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan, voor de dagloonberekening een goede maatstaf vormt voor het als gevolg van het ingetreden sociale risico gederfde loon. 5.6. Voor een aantal specifieke gevallen, waarin de hoofdregel tot onwenselijke resultaten kan leiden, bevat het Dagloonbesluit bijzondere bepalingen. Bij het treffen van deze bepalingen is getracht deze zo eenvoudig mogelijk te houden en de behandeling van gelijksoortige situaties waar mogelijk op dezelfde wijze toe te passen. Artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit, dat ziet op de situatie dat wel recht bestaat op loon in het refertejaar, maar dat loon (nog) niet inbaar was, is dus een uitzondering op deze hoofdregel. Uit de toelichting op deze bepaling blijkt dat deze bepaling onder meer is bedoeld voor de situatie waarbij de werkgever niet meer aanwezig is. Daarom wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Loon waar de werknemer wel recht op heeft maar dat niet wordt uitbetaald, heeft dan geen negatieve invloed op het dagloon van de werknemer. 5.7. Deze keuze van de besluitgever is bezien vanuit de verzekeringsgedachte (equivalentiebeginsel) logisch. De hoofdregel is dat men is verzekerd voor het loon waarover premie is betaald, in beginsel wordt de uitkering op dit bedrag gebaseerd. De keuze om daarbij uit te gaan van het loon in de aangiftetijdvakken waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan, dient ter vereenvoudiging van de uitvoering van de dagloonvaststelling. Voorkomen moet echter worden dat de werknemer wordt geconfronteerd met een lager dagloon, louter omdat zijn (voormalig) werkgever zijn loonaanspraken in de referteperiode niet heeft voldaan. Om dat te kunnen vaststellen is dan een redelijke eis dat de werknemer – in de referteperiode – zijn werkgever maant tot het betalen van het loon waarop hij recht heeft. 5.8. Niet gezegd kan dus worden dat deze regeling van redelijke grond is ontbloot. Het beroep op artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM slaagt niet. Rechtstreekse toets van het besluit aan het evenredigheidsbeginsel 5.9. Met het bestreden besluit heeft Uwv toepassing gegeven aan artikel 15, tweede lid van het Dagloonbesluit. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat zij niet voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonloonbesluit. Zij is echter van mening dat de toepassing van deze bepaling in haar geval onevenredig uitpakt. 5.10. Het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. De Raad is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang. 5.11. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is, is gebaseerd op de omstandigheid dat alle gegevens voorhanden zijn die een herberekening van het SV-loon in de referteperiode mogelijk maken, waarbij de financiële gevolgen voor betrokkene groot zijn, terwijl de uitvoeringskosten gelet op de voorhanden zijnde gegevens relatief beperkt blijven. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is. 5.12. Uit artikel 15 van het Dagloonbesluit volgt dat bij de vaststelling van het dagloon pas rekening kan worden gehouden met (achteraf gehonoreerde) civielrechtelijke aanspraken, als een betrokkene de werkgever tijdig heeft gemaand het verschuldigde loon te betalen. Laat de betrokkene dit na, dan behoort het Uwv met die aanspraken geen rekening te houden. Niet ter discussie staat dat betrokkene heeft nagelaten haar ex-werkgeefster in de referteperiode te manen het loon te betalen. Deze situatie heeft de besluitgever bij het opstellen van artikel 15 van het Dagloonbesluit voorzien en daaraan het gevolg verbonden dat het loon niet wordt meegeteld bij de vaststelling van het dagloon. Namens betrokkene zijn geen (bijzondere) omstandigheden aangevoerd om dat wel te doen. Het enkele feit dat het dagloon van betrokkene lager is dan als rekening wordt gehouden met de nabetaling door de werkgever, is niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid aan te merken. 5.13. Uit 5 tot en met 5.12 volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv het verzoek om het dagloon aan te passen niet had mogen afwijzen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt vervolgens met zich dat de Raad de door de rechtbank onbesproken gelaten gronden van het beroep moet beoordelen. Betrokkene heeft echter ter zitting bevestigd dat er geen gronden zijn die de rechtbank onbesproken heeft gelaten. Conclusie en gevolgen 5.14. Het hoger beroep van het Uwv slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft besloten het WIAdagloon niet te wijzigen. 6. Omdat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt, krijgt betrokkene geen vergoeding voor haar proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026. (getekend) T. Dompeling De griffier is verhinderd te ondertekenen. Bijlage: de voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 14 van het EVRM Verbod van discriminatie Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM Algemeen verbod van discriminatie 1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. 2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden. Artikel 13 van de Wet WIA 1.