Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-02
ECLI:NL:CRVB:2026:752
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1759 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2024, 24/1321 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (samen: appellanten) het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 2 juni 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om een intrekking van de bijstand en een terugvordering van bijstand op de grond dat appellanten over niet-gemeld vermogen in Turkije konden beschikken. Volgens appellanten is de wijze waarop het dagelijks bestuur het dossier van appellanten voor nader onderzoek naar vermogen heeft geselecteerd onrechtmatig. Het dagelijks bestuur heeft zich in het kader van het onderzoeksproject in het bijzonder gericht op personen met een Turkse herkomst, in strijd met het discriminatieverbod. De zo verkregen onderzoeksgegevens mochten daarom niet aan het besluit tot intrekking en terugvordering ten grondslag worden gelegd. De Raad is van oordeel dat dit betoog van appellanten niet slaagt. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur zich in het bijzonder op personen van Turkse herkomst heeft gericht. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 maart 2026. Voor appellanten is mr. Küçükünal verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Berg en mr. N. Övul. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellanten ontvingen sinds 20 november 2006 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden. In het kader van een project ‘Onderzoek Vermogen in het Buitenland’ hebben medewerkers van Stroomopwaarts uit het bestand bijstandsgerechtigden een selectie van dossiers gemaakt voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand. Daarbij zijn de volgende stappen doorlopen: Stap 1: Selectie van alle personen die in de periode 2016-2020 langer dan 30 dagen en/of meer dan 2 keer per jaar in het buitenland zijn geweest. Dit heeft geresulteerd in 456 dossiers. Stap 2: Doorselectie van alle personen die in de periode 2016-2020 ten minste in 3 van de 5 jaren langer dan 30 dagen in het buitenland zijn geweest, of in 2 van de 5 jaren langer dan 30 dagen in het buitenland zijn geweest én tenminste 2 keer in 2019. Dit heeft geresulteerd in respectievelijk 28 en 27 dossiers. Stap 3: Individuele beoordeling van de 55 dossiers waarna is bepaald of nader onderzoek moest worden gedaan door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF). 1.2. Appellanten zijn op basis van dit project geselecteerd. Een toezichthouder van Stroomopwaarts heeft het dossier beoordeeld en vastgesteld dat appellanten elk jaar naar het buitenland reizen, ook in de periode vóór 2016, dat er in het verleden een fraudemelding is gedaan voor het bezit van twee woningen en een bankrekening in Turkije, en dat uit bankafschriften uit 2017 blijkt dat tijdens de vakantie in dat jaar geen enkele opname van de bij het dagelijks bestuur bekende rekening heeft plaatsgevonden. De toezichthouder heeft op grond van deze vaststellingen het dossier aan het IBF overgedragen. 1.3. Op verzoek van het IBF heeft een medewerker van het Bureau voor Sociale Zaken te Ankara internetonderzoek naar mogelijk vermogen van appellanten in Turkije uitgevoerd. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 8 juli 2020. Uit het onderzoek is gebleken dat appellanten beiden bij de afdeling onroerendezaakbelasting van de [naam gemeente] geregistreerd staan. Er wordt geadviseerd appellanten een machtiging te laten verstrekken waarmee nadere gegevens bij het kadaster Het werken met machtigingen is vooral relevant voor vermogensonderzoek in Turkije. Als laatste heeft de gemachtigde verwezen naar een tweetal handhavingsrapportages in andere dossiers, die hij heeft verkregen naar aanleiding van zijn WOOverzoek. In die zaken waren er duidelijke aanwijzingen voor nader onderzoek, maar werd het dossier niet overgedragen voor nader onderzoek. Dit betroffen personen zonder Turkse herkomst. Dit alles sterkt het vermoeden dat het dagelijks bestuur in de praktijk zich in het bijzonder heeft gericht op personen met een Turkse herkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.2. Het dagelijks bestuur is bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Dat volgt uit artikel 53a van de PW. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan uit eigen beweging worden uitgeoefend, dus ook zonder voorafgaand signaal of vermoeden. Dit is vaste rechtspraak. Bij het uitoefenen van de algemene onderzoeksbevoegdheid mag een bijstandverlenende instantie in beginsel risicoprofielen toepassen. Dit is toegestaan met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing en wegens het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen. Daarbij geldt dat de bijstandverlenende instantie niet mag handelen in strijd met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM en in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Dit is eveneens vaste rechtspraak. 4.3. De door het dagelijks bestuur gehanteerde selectiecriteria die in 1.2 zijn weergegeven als stap 1 en 2 zijn gerelateerd aan het vakantiegedrag van de bijstandsgerechtigden. Tussen partijen is niet in geschil dat dit niet discriminatoir is. Bovendien heeft de Raad al eerder geoordeeld dat een risicoprofiel dat is gebaseerd op vakantiegedrag niet in strijd is met het verbod van discriminatie. De vraag die nu voorligt is of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat het dagelijks bestuur bij de nadere selectie van 20 dossiers in stap 3 in strijd met dat verbod heeft gehandeld door zich in het bijzonder te richten op personen van Turkse herkomst. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Dat wordt hierna toegelicht. 4.3.1. Vaststaat dat het dagelijks bestuur alle 55 dossiers die op basis van de selectieregels zijn geselecteerd individueel heeft beoordeeld. Ook staat vast dat die 55 dossiers betrekking hebben op bijstandsgerechtigden uit allerlei herkomstlanden. Verder heeft het dagelijks bestuur ter zitting onweersproken gesteld dat ook de 20 dossiers die uiteindelijk zijn geselecteerd voor nader onderzoek, betrekking hebben op bijstandsgerechtigden uit allerlei herkomstlanden en dat zich onder die 20 dossiers slechts 3 dossiers bevonden die zagen op personen met een Turkse herkomst. Alleen al daarom kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun stelling dat het dagelijks bestuur zich bij de individuele beoordeling van de 55 dossiers in het bijzonder zou hebben gericht op personen met een Turkse herkomst. 4.3.2. Het enkele feit dat in de stukken melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om machtigingen bij een bijstandsgerechtigde op te vragen leidt niet tot een ander oordeel. In de stukken wordt namelijk in het algemeen opgemerkt dat een machtiging onderzoek kan vergemakkelijken bij buitenlandse instanties die zonder machtiging geen gegevens willen verstrekken. De Raad ziet hierin niet dat er een link wordt gelegd met onderzoek in Turkije in het bijzonder. Dat geldt ook voor de door de gemachtigde ter zitting aangehaalde dossiers die niet voor nader onderzoek zijn overgedragen. Uit de verklaring van het dagelijks bestuur ter zitting en uit de overgelegde stukken volgt namelijk dat dossiers om uiteenlopende redenen niet zijn overgedragen voor nader onderzoek. In sommige dossiers was bijvoorbeeld sprake van een IOAW-uitkering, waarvoor geen vermogenstoets geldt. In andere dossiers w